Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Verstedelijkingsbeleid tot 2010

27 562 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Vergaderjaar 2004-2005

Nr. 6

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 2 juni 2005


Hierbij bied ik u aan achttien van de twintig «Woningbouwafspraken 2005 tot 2010»1. In deel I van deze brief informeer ik u over het resultaat van de gemaakte woningbouwafspraken en stand van zaken met betrekking tot de twee nog te ondertekenen woningbouwafspraken. Tevens bied ik u met deze brief het onderzoek«Inventarisatie bestemmings- en streekplancapaciteit voor woningbouw 2004»1 aan. Dit rapport gaat over de per 1 januari 2004 geïnventariseerde capaciteit voor woningbouw. Voldoende harde plancapaciteit is een noodzakelijke voorwaarde voor de realisatie van de woningbouwafspraken. In deel II van mijn brief ga ik hierop in. Naast de samenhang tussen de beide in deze brief behandelde onderwerpen is er ook een directe relatie met de voortgang van de verstedelijking op grond van de Vinex-afspraken 1995–2005. In een brief die u parallel met deze brief wordt aangeboden, ga ik nader in op de rapportage «Voortgang verstedelijking Vinex-2004».

DEEL I

In mijn brief «voortgang acties verhoging van de woningbouwproductie» van 14 september 2004 (TK 2004–2005, 27 562, nr. 4) heb ik toegezegd u te informeren, zodra de woningbouwafspraken definitief ondertekend zijn. Van de twintig woningbouwafspraken is er over negentien overeenstemming bereikt. Met Flevoland kon in verband met gesprekken die in het kader van de Nota Ruimte worden gevoerd nog niet tot een convenant worden gekomen. Hierover informeer ik u verderop in deze brief. Met Friesland/Leeuwarden wordt de bestuurlijke overeenstemming een dezer dagen bezegeld met handtekeningen. Cijfermatig heb ik alle stedelijke regio's in deze brief meegenomen.

Doel en noodzaak van de Woningbouwafspraken

Om diverse redenen – waarover ik u eerder heb geïnformeerd middels mijn brieven van 30 september 2003 en 14 september 2004 – zit de woningmarkt op slot, met als gevolg beperkte keuzemogelijkheden voor ouderen, starters, doorstromers en lagere inkomensgroepen. Mijn doelstelling is dan ook om méér beweging op de woningmarkt te krijgen. De nieuwbouw vervult daarin een scharnierfunctie: meer keuzemogelijkheden voor de burger en beweging op de woningmarkt valt of staat met voldoende aanbod. Om dat te bereiken moet er dus worden bijgebouwd. Hierdoor komen verhuisketens en ook de doorstroming op gang. Dit resulteert per saldo in het korter worden van de wachtlijsten voor de burger. Ik wil een gevarieerd aanbod creëren van huur- en koopwoningen in alle prijsklassen om meer en betere keuzemogelijkheden tot stand te brengen. Ik heb daarbij ingezet op de ambitieuze, maar realistische doelstelling het woningtekort terug te brengen tot gemiddeld 1,5% in 2010.

Dit wil ik bereiken door in samenhang de woningproductie aan te jagen, de herstructurering te stimuleren en het huurbeleid te moderniseren.


Voor het tot stand komen van de woningbouwafspraken is een korte terugblik nodig. De belangrijkste afspraken voor de woningproductie tot 2005 zijn vastgelegd in de Vinex-contracten. Echter vanaf circa 2000 is de woningproductie teruggelopen ten opzichte van de periode daarvoor. De afname van de nieuwbouw door corporaties was een belangrijke factor. De marktpartijen legden de oorzaak voor de teruglopende productie bij de ingewikkelde regels en procedures. Daarnaast was sprake van een verslechterde economische situatie. Door deze omstandigheden heeft het Kabinet zich genoodzaakt gezien tot bijstelling van het beleid en tot bijstelling van de inzet van de financiële middelen. Dit is vastgelegd in mijn eerdergenoemde brief van 30 september «Acties verhoging woningproductie« en heeft geresulteerd in de huidige woningbouwafspraken. Met deze woningbouwafspraken beoog ik dan ook om de woningproductie (inclusief eigenbouw), bodemsanering, openbaar vervoer en infrastructuur en groen in de periode 2005 tot 2010 te bevorderen teneinde het woningtekort te verlagen.

Tegen deze achtergrond ben ik voor de zomer 2004 met vertegenwoordigers van IPO, VNG en de Kaderwetgebieden tot een bestuurlijk akkoord gekomen over de breedte, inhoud en methodiek van de woningbouwafspraken en de daaraan verbonden stimuleringssubsidies. Na de zomer 2004 is in nauw overleg met deze vertegenwoordigers een generieke tekst opgesteld die voor alle twintig te ondertekenen convenanten geldt. Parallel hieraan is door de regio's bekeken welk aanbod van woningen en welke jaarfasering realistisch was en welke regiospecifieke afspraken in het convenant opgenomen konden worden. Door goed overleg met de VROM accountmanagers heeft dit geresulteerd in de ondertekening van vijftien van de twintig woningbouwafspraken vlak voor de kerstperiode. Van de overige vijf woningbouwafspraken zijn er inmiddels drie getekend (Limburg, Zwolle-Kampen en Drenthe) en bestaat er over één bestuurlijke overeenstemming (Friesland). Met Flevoland vinden nog gesprekken plaats. Ik ga nu in op de inhoud van de afspraken.

De woningbouwafspraken

Aantallen woningen en fasering

De bestuurlijke partners delen de doelstelling om landelijk tot een tekort van 1,5 % in 2010 te komen. Hierbij past een landelijk productie van 445 000 woningen, inclusief de productie van 25 000 woningen anders dan door nieuwbouw. De meeste van deze «anders dan door nieuwbouw» toe te voegen woningen worden gerealiseerd in gebouwen die voorheen ook al een woonfunctie hadden en bijvoorbeeld gesplitst of ingrijpend gerenoveerd worden. Een deel betreft de omzetting van kantoren in woningen. Van de totale opgave van 445 000 te bouwen woningen moeten ca. 360 000 woningen in de stedelijke regio's worden toegevoegd en ca. 85 000 in de gebieden daarbuiten. Het aanbod van de stedelijke regio's in de woningbouwafspraken sluit daar volledig bij aan. Ik verwijs u voor het overzicht naar bijlage 12.

Voor de gebieden buiten de stedelijke regio's worden geen afspraken gemaakt, maar mag, gelet op de ervaringen uit het verleden en de ruimte om voor natuurlijke aanwas te bouwen verwacht worden dat voldoende gebouwd wordt.


De negentien woningbouwafspraken waarover bestuurlijke overeenstemming bestaat, behelzen de bouw van 347 000 woningen in de periode 2005 tot 2010. Flevoland heeft aangegeven bereid te zijn 13 000 woningen in die periode aan de voorraad toe te voegen. In alle stedelijke regio's tezamen zullen dan 360 000 woningen aan de voorraad worden toegevoegd. Tabel 1 geeft u inzicht in de aan de voorraad toe te voegen woningen in de periode 2005 tot 2010. Voor de fasering per regio per jaar verwijs ik u naar bijlage 1.

Tabel 1. Beoogde fasering te realiseren woningen zoals door de stedelijke regio's opgegeven

2005 64 338  
2006 68 461  
2007 75 275  
2008 75 695  
2009 76 470  
Totaal 360 239  

Prestatiegericht investeringsbudget

Om de realisatie van de benodigde aantallen woningen in de stedelijke regio's te bevorderen, stel ik financiële middelen (€ 649,5 miljoen) beschikbaar. Hiervan is € 607 miljoen beschikbaar om het woningtekort te verlagen tot 1,5% in 2010 en € 42,5 miljoen om de woningbouw in de vorm van eigenbouw te stimuleren. Op basis van de door de regio zelf opgegeven en afgesproken fasering wordt jaarlijks vooraf, uitgaande van 65% van het aantal voor dat jaar geplande woningen, een financiële bijdrage verstrekt. Het resterende deel wordt, afhankelijk van het werkelijke aantal gereedgemelde woningen in dat jaar, achteraf uitgekeerd. Bij een aanzienlijke achterstand in de woningproductie kan ik besluiten het voorschot voor het daarop volgende jaar vast te stellen op een lager bedrag. Op deze manier wordt een solide basis geboden en ontstaat een financiële prikkel om jaarlijks voldoende woningen te realiseren. De jaarlijkse opgave van gereedgemelde woningen door gemeenten aan het CBS maakt het voor marktpartijen, corporaties en het Rijk mogelijk de realisatie van de woningproductie goed te volgen. Ik zal de voortgang per regio snel en toegankelijk beschikbaar stellen via internet.

Eigenbouw

Eigenbouw vormt ook een mogelijkheid om de bouwproductie een extra impuls te geven en tegemoet te komen aan de woonwensen van burgers. Het aandeel eigenbouw is in de stedelijke regio's over het algemeen aanzienlijk lager dan in overig Nederland. Om die reden heb ik € 42,5 miljoen beschikbaar gesteld voor het stimuleren van eigenbouw in de stedelijke regio's. Op basis van een «premie op presteren» is voor elke regio een drempel-eigenbouw bepaald, waarbij ik voor het meerdere boven die drempel in de periode 2005 tot 2010 een stimuleringsbedrag van€ 1 600 per woning beschikbaar stel. Dit is een extra prestatiegerichte uitkering, bovenop het bedrag per gerealiseerde woning als hierboven beschreven. Bij het Infocentrum Eigen Bouw kunnen burgers en gemeenten terecht voor alles wat te maken heeft met de uitvoering van eigenbouw. Dit centrum heeft overigens een financiële bijdrage ontvangen van VROM voor de periode 2003–2005 en draagt ook bij om eigenbouw hoger op de agenda te plaatsen.

Specifieke afspraken

Voor enkele regio's zijn meer specifieke afspraken gemaakt in verband met een afwijkende omstandigheid. De provincie Limburg is de enige regio waar de bevolking afneemt. Dit is verwerkt in de berekeningssystematiek voor het vaststellen van de bouwbehoefte voor Limburg waardoor het op beperkte schaal bouwen in de steden gestimuleerd blijft. In de regio Groningen was in 1997 alleen de gemeente Groningen convenantspartner, terwijl dat nu het Samenwerkingsverband Regiovisie Groningen-Assen is. Bij Zeeland zijn de in 2003 gemaakte afspraken inzake het KSG-terrein in Vlissingen verwerkt in de woningbouwafspraken. Daarnaast deed zich het geval voor dat het Regionaal Orgaan Amsterdam (ROA), de Stadsregio Rotterdam (SRR) en het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland niet voldoende mogelijkheden zagen om genoeg woningen te bouwen om te komen tot een tekort van 1,5%. Op Zuidvleugelniveau zijn vervolgens afspraken gemaakt met Drechtsteden en Haaglanden om meer dan de eigen opgave te bouwen en daarmee te compenseren voor SRR en het samenwerkingsorgaan Holland Rijnland. Op Noordvleugel niveau zijn afspraken gemaakt over compenserend bouwen door de provincie Noord-Holland (in de stedelijke regio's Haarlem, Hilversum en Alkmaar) voor het ROA.

Twee regio's zijn nog niet tot ondertekening van de woningbouwafspraken overgegaan. Met Friesland/Leeuwarden is echter bestuurlijke overeenstemming bereikt en worden de woningbouwafspraken binnenkort getekend. De provincie Flevoland komt alleen in aanmerking voor een bijdrage voor het onderdeel eigenbouw. Voor een bijdrage uit het prestatiegerichte investeringsbudget (voor de kwantitatieve opgave) komt Flevoland niet in aanmerking, omdat er op basis van de berekeningssystematiek in Flevoland geen sprake is van onrendabele kosten in de grondexploitaties van de te ontwikkelen woningbouwlocaties. Daarnaast zal in het kader van de nota Ruimte door het Rijk in 2006 besluitvorming plaatsvinden over de groei van Almere en over de onderdelen die met deze groei te maken hebben. Met het gemeentebestuur van Almere vinden gesprekken plaats over deze groei. De provincie Flevoland en de gemeenten Almere en Lelystad, hebben aangegeven de uitkomsten van deze gesprekken te willen betrekken bij hun standpuntbepaling inzake de woningbouwafspraken. Binnenkort verwacht ik een bestuurlijk standpunt van de betrokken partijen over het wel of niet tekenen van de woningbouwafspraken.

Afspraken over milieu, groen, openbaar vervoer en infrastructuur

Naast afspraken over wonen zijn ook afspraken gemaakt over milieu, groen, openbaar vervoer en infrastructuur. Hierover heeft interdepartementale afstemming plaatsgevonden. Gemeenten stuiten bij de realisatie van woningbouw regelmatig op (ernstig) verontreinigde bodems. Eén van de doelstellingen van het bodemsaneringsbeleid is het voorkomen van stagnatie door de aanwezigheid van bodemverontreiniging. In vervolg op de Vinex-periode heeft het Rijk voor de periode 2005 tot en met 2010 voor bodemsanering een budget van € 167,8 miljoen beschikbaar gesteld. Voor het groen zijn in de meeste regio's afspraken gemaakt in het kader van het huidige rijksprogramma Recreatie om de Stad en zijn middelen beschikbaar gesteld voor de financiering van grondverwerving en inrichting. Provincies en gemeenten worden gevraagd hun planologisch beleid zodanig in te richten dat tijdige realisatie van het groen mogelijk wordt. Het gaat voor de periode 2004 tot en met 2010 in totaal om € 650,4 miljoen euro. De inzet van deze middelen voor dagrecreatieprojecten kent twee sporen. Enerzijds het inlopen van bestaande achterstanden en anderzijds nieuwe achterstanden te voorkomen door de groenrealisatie te koppelen aan de woningbouwopgave in de periode 2005 tot 2010. Voor het openbaar vervoer en infrastructuur worden de rijksbijdragen vanaf 2005 middels de Brede DoelUitkering Verkeer en Vervoer aan de regio's verstrekt. Hiermee wordt de primaire verantwoordelijkheid voor de uitvoering en financiering van regionale infrastructuur en voor de exploitatie van het regionale openbaar vervoer overgedragen aan de regionale overheden en provincies waardoor betalen en beslissen in een hand liggen.

Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit in Nederland is op veel plaatsen niet in overeenstemming met de Europese normstelling. Het gebrek aan perspectief op het terugdringen van de normoverschrijding is in beroepszaken een belangrijk argument om besluiten over gewenste ruimtelijke en infrastructurele projecten te vernietigen, waaronder woningbouw.

De Kamer is bij brief van 20 april, kamerstuk 29 667 nr. 12 geïnformeerd over de aanpak die het Kabinet zich hierbij voorstelt. Deze richt zich op:

• generieke en lokatiespecifieke maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit

• versterking van het EU bronbeleid en evaluatie van de EU kwaliteitsnormen

• aanpassing van de luchtkwaliteitregelgeving

Voor de eerstkomende jaren, als bestemmingsplannen al zijn vastgesteld en bouwvergunningen zijn afgegeven, heeft dit voor de woningbouwproductie geen consequenties. De gevolgen voor woningbouwprojecten voor de langere termijn worden thans nader geïnventariseerd. Daarbij zullen de effecten van het generieke en het lokale maatregelenpakket worden meegenomen.

Voor de luchtkwaliteitsproblematiek is immers niet alleen het Rijk aan zet. Ook op decentraal niveau zijn aanvullende maatregelen nodig om de luchtkwaliteit te verbeteren. Hierover zijn afspraken gemaakt met IPO/VNG. Verbetering van de luchtkwaliteit is immers geen exclusieve verantwoordelijkheid van de rijksoverheid.

Regionale afstemming

Bouwen is belangrijk, maar regionale afstemming tussen gemeenten ook. De regionale samenhang in de omvang en samenstelling van de gemeentelijke woningbouwprogramma's moet zorgen voor een evenwichtig aanbod (motie Bos). Daarbij gaat het om volume, maar vooral ook om variëteit in prijs en kwaliteit, aandacht voor starters, ouderen en andere specifieke doelgroepen. Ik vind dat randgemeenten rond de grote steden moeten bijdragen aan het oplossen van de grootstedelijke problemen, bijvoorbeeld door hun verantwoordelijkheid te nemen in de huisvesting van lage inkomensgroepen. Dat heeft binnen de stedelijke regio's soms geleid tot stevige discussies, maar alle centrumsteden hebben door medeondertekening van de woningbouwafspraken aangegeven dat de regionale afstemming – en daarmee de bijdrage van de randgemeenten – afdoende is gewaarborgd. Deze regionale afstemming is ook vastgelegd in de Meerjarige OntwikkelingsPlannen (MOP's). De ontvangen adviezen van provincies en kaderwetgebieden over de regionale afstemming zijn geen aanleiding geweest om voorwaarden aan de steden op te leggen.

Monitoring

Nu de woningbouwafspraken gemaakt zijn, komt het aan op de uitvoering. De woningbouwontwikkeling voor de jaren 2005 en 2006 ligt nagenoeg vast. De komende anderhalf jaar kan alleen maar gebouwd worden op basis van nu reeds afgegeven bouwvergunningen en daar is nauwelijks nog invloed op uit te oefenen. Voor de jaren daarna zal geborgd moeten worden dat de aantallen woningen door marktpartijen en corporaties gerealiseerd kunnen worden. De gemeenten zullen moeten zorgen voor het voldoende beschikbaar zijn en komen van harde bestemmingsplancapaciteit en voor een snelle en zorgvuldige afgifte van de bouwvergunningen. De gemeenten zullen de corporaties en de marktpartijen letterlijk de ruimte moeten geven.

Het aanwezig zijn van voldoende harde bestemmingsplancapaciteit is dus een noodzakelijke voorwaarde om de woningproductie te verhogen. Als bij de eindafrekening blijkt dat de woningproductie niet gehaald is door het ontbreken van voldoende bouwplancapaciteit is van mij geen soepelheid te verwachten met betrekking tot de inzet van het prestatiegerichte investeringsbudget. In de woningbouwafspraken is vastgelegd dat de provincies met ingang van 2005 zorgen voor jaarlijkse aanlevering van de actuele plancapaciteitsgegevens aan VROM. Voor wat betreft de meest recente inventarisatie van de plancapaciteit voor woningbouw verwijs ik u naar deel II van deze brief.

Ook de corporaties zullen een deel van de woningproductie moeten realiseren. Met VNG en Aedes ben ik hierover in overleg. Samen willen we komen tot afspraken over de bouw van landelijk 110 000 woningen tot 2010 door de corporaties. Zoals in mijn brief van 4 februari jl. (kamerstukken II, 2004/2005, 27 926, nr. 43) is aangegeven zijn ook de beleidsvoornemens om te komen tot een verdere liberalisering van de huurwoningenmarkt gekoppeld aan de ontspanning op de woningmarkt. Pas als er meer keuzemogelijkheden voor woningzoekenden komen, kan sprake zijn van liberalisering. In mijn brief over het huurbeleid, naar aanleiding van het Algemeen Overleg van 8 maart jl. daarover, informeer ik uw Kamer nader hoe deze afrekening vormgegeven zal worden.

Als handzaam instrument is een Monitor Nieuwbouw woningbouwafspraken 2005 tot en met 2009 ontwikkeld. Deze monitor voorziet in de kwantitatieve informatie over de voortgang op het niveau van de stedelijke regio's. Daarbij sluit de monitor volledig aan op de met de regio's gemaakte afspraken. De monitor voorziet ook in de bewaking en beoordeling van de mate waarin de corporaties en de commerciële verhuurders bouwen. Marktpartijen, corporaties, gemeenten, het Rijk en ook de burgers krijgen op deze manier goed inzicht in de nieuwbouwontwikkelingen in de woningmarkt van de stedelijke regio's. Uitgangspunt is dat de monitor voor de gemeenten geen extra administratieve last tot gevolg heeft. De monitoring van het groen zal naar verwachting vanaf 1 januari 2007 plaatsvinden in het dan inwerking tredende Investeringsbudget Landelijk Gebied.

Daarnaast continueer ik de aanjaagteams van interne en externe deskundigen die ik vraaggestuurd en selectief kan inzetten. Deze teams kunnen bijdragen aan het versnellen van de woningproductie door het aanjagen van de processen en het wegnemen van belemmeringen op specifieke locaties. De ervaringen die hiermee tot nu toe opgedaan zijn vormen voor mij aanleiding dit te continueren.


Tijdens mijn jaarlijkse bestuurlijke conferentie over de woningproductie zal ik met de regio's de balans opmaken, wat gaat goed, wat niet en wat kunnen we daar dan aan doen. De monitoring vindt dus niet alleen door middel van kwantitatieve gegevens plaats, maar ook op basis van bestuurlijke afspraken en bestuurlijk overleg met partijen.

DEEL II

Het rapport «Inventarisatie bestemmings- en streekplancapaciteit voor woningbouw 2004» gaat over de per 1 januari 2004 geïnventariseerde capaciteit voor woningbouw. Het is de eerste vervolgmeting op de inventarisatie van vorig jaar (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 24 508, nr. 65). Hierdoor is een eerste inzicht in de feitelijke ontwikkeling van de bouwvergunningrijpe bestemmingsplancapaciteit mogelijk gemaakt. Bouwvergunningrijpe capaciteit is capaciteit die vanuit de WRO bouwtitel geeft, dat wil zeggen dat als een bouwvergunningaanvraag voldoet aan het bestemmingsplan, deze niet geweigerd kan worden vanuit ruimtelijk ordeningsoogpunt.

Achtergrond

Als één van de mogelijke oorzaken van de stagnerende woningproductie is een tekort aan capaciteit in streek- en bestemmingsplannen genoemd. Voldoende beschikbare plancapaciteit, met name in bestemmingsplannen, is een noodzakelijke voorwaarde voor het vergroten van de woningproductie. In deze inventarisatie ligt, bij het in beeld brengen van de status waarin de geïnventariseerde capaciteiten zich bevinden, de nadruk op het onderscheiden van de beschikbare plancapaciteit waaraan een bouwtitel verleend kan worden. Deze komt voor een groot deel overeen met de definitie van status 1 WRO: «de juridisch beschikbare plancapaciteit waarop geen beroep kan worden aangetekend.», kortweg juridisch beschikbare plancapaciteit.


Zoals aangegeven in deel I van deze brief zijn achttien van de twintig convenanten over de woningbouwafspraken over 2005 tot 2010 getekend. Daarin is in artikel 5 (Monitoring en evaluatie) het volgende opgenomen:

«Met ingang van 2005 vindt een jaarlijkse monitoring en evaluatie plaats van de plancapaciteit voor woningbouw naar ruimtelijke capaciteit en aantallen woningen in bestemmings- en streekplannen. De Minister van VROM levert daartoe een faciliterende bijdrage aan de provincie in de vorm van een uniform model voor registratie (waar het bestemmingsplannen betreft op basis van de juridische planfasering uit de Wet op de Ruimtelijke Ordening en in het bijzonder de capaciteit die direct bouwtitel geeft). De provincie zorgt jaarlijks voor 1 april voor aanlevering van de plancapaciteitsgegevens aan de Minister van VROM ten behoeve van de monitoring en evaluatie en ter bevordering van transparante beleidsuitvoering.»

Hiermee ligt de relatie tussen verhoging van de woningproductie en bestemmingsplancapaciteit in elk van de stedelijke regio's tot 2010 vast. Hierdoor is het voor mij mogelijk om de tijdige aanmaak van bestemmingsplancapaciteit te monitoren, is het voor de andere partners mogelijk om op de ontwikkeling van de noodzakelijke plancapaciteit te kunnen sturen, en kan ik hen zo nodig aanspreken op hun verantwoordelijkheid in deze.

Onderzoeksresultaat

De eindrapportage geeft een volledig beeld van het inventarisatieproces, het gekozen model en de beschikbare cijfers. Dit onderzoek geeft indicatief inzicht in de netto plancapaciteit in verschillende planfasen. Netto plancapaciteit is de capaciteit voor nieuwbouw minus onttrekkingen. In de inventarisatie van vorig jaar (plancapaciteit per 1 januari 2003) is als maat om naast de onderzoeksresultaten te leggen de woningbehoefte volgens het scenario van hoge ruimtedruk uit de Vijfde Nota gehanteerd. Thans kan de plancapaciteit per 1 januari 2004 worden getoetst aan de voor de uitvoering van de woningbouwafspraken benodigde bouwvergunningrijpe plancapaciteit.


Bij veel provincies is het inzicht in de bestemmingsplancapaciteit in de verschillende planfasen onvolledig. Bij de interpretatie van de uitkomsten van het onderzoek moet rekening gehouden worden met onzekerheidsmarges. De gegevens dienden, evenals vorig jaar, te worden samengesteld uit verschillende bronnen. De gegevens zijn daardoor niet altijd even goed vergelijkbaar. Er worden verschillende definities gehanteerd en de gegevens zijn niet altijd volledig. Het onderzoek betreft dus een indicatieve weergave van de plancapaciteit.

Voor de provincie Noord-Holland ontbraken te veel gegevens om te komen tot een verantwoorde opgave van de bouwvergunningrijpe plancapaciteit. Wel is voor Noord-Holland een onderscheid in twee delen te maken tussen plannen in fase 1, 2 of 3 volgens de WRO en plannen in fase 4 of 5 volgens de WRO. In Noord-Holland vindt een verbeterslag van de inventarisatie plaats.

Dit in acht nemend, laten de bevindingen globaal het volgende zien:


• Voor Nederland als geheel geldt dat de bestemmingsplannen voor circa 232 000 woningen (na een schatting van het aandeel globale plannen) daadwerkelijk bouwvergunningrijp waren per 1 januari 2004, exclusief Noord-Holland.

• Het is van essentieel belang dat de woningaantallen uit de woningbouwafspraken gerealiseerd worden. Binnen de stedelijke regio's was er bouwvergunningrijpe bestemmingsplancapaciteit per 1 januari 2004 voor circa 155 700 woningen (exclusief Noord-Holland). De totale woningbouwopgave van de stedelijke regio's van 2005 tot 2010 is circa 360 000 woningen. De bouwvergunningrijpe capaciteit was daarmee op 1 januari 2004 voor het totaal van de stedelijke regio's gemiddeld voldoende voor circa 2 jaar nieuwbouwproductie.

• Er doen zich regionale verschillen voor. Dit blijkt uit bijlage 2a en 2b3 waarin de geïnventariseerde capaciteit wordt vergeleken met de (regionale) woningbouwafspraken.

• Wanneer we kijken naar de juridische capaciteit met bouwtitel blijkt dat het merendeel van de regio's capaciteit heeft voor de eerste twee tot drie jaar gerekend vanaf 1 januari 2004. Uitzondering zijn de bestuursregio Utrecht en de regio's in Limburg waar voor de periode tot 2010 voldoende harde capaciteit aanwezig lijkt te zijn. Voor de regio's Amersfoort en Holland-Rijnland lijkt echter juist maar voor één jaar capaciteit aanwezig. Als we kijken naar de totale capaciteit in voorbereiding (dus inclusief plannen in voorbereiding en potentiële capaciteit) is te zien dat in nagenoeg alle stedelijke regio's voldoende plannen in de pijplijn zitten. Alleen voor Leeuwarden lijkt per 1 januari 2004 nog onvoldoende capaciteit te bestaan.

• Van belang voor het merendeel van de regio's blijft dat voldoende capaciteit doorstroomt naar volgende fasen en nieuwe capaciteit wordt gerealiseerd teneinde de woningbouwafspraken te realiseren.

• Voor Nederland als geheel zijn over 2003 circa 36 000 woningen (excl. Noord-Holland) netto aan de woningvoorraad toegevoegd. Dit heeft de bouwvergunningrijpe bestemmingsplancapaciteit in het jaar 2003 verminderd. Tegelijkertijd is er echter in dat jaar ook voor ruim 76 000 woningen nieuwe bouwvergunningrijpe plancapaciteit bijgekomen, omdat binnen die periode nieuwe plannen goedgekeurd en onherroepelijk werden. De bouwvergunningrijpe plancapaciteit is van 191 800 (stand op 1 januari 2003) per saldo toegenomen tot 232 040 op 1 januari 2004; een groei van 21% (excl. Noord-Holland).

• Ten aanzien van de streekplancapaciteit blijkt dat voor Nederland als geheel op 1 januari 2004 vigerende streekplannen ruimte was voor 464 400 woningen tot 2010. Streekplannen zijn echter niet gebonden aan de planperiode tot 2010, soms lopen ze langer door en soms korter. Korter lopen bijvoorbeeld het streekplan Groningen (tot 2006) en de streekplannen Utrecht en Noord-Holland Noord (tot 2005). Na die periode is er uiteraard nog ruimte in deze provincies: daarin zullen de nieuwe (in voorbereiding zijnde) streekplannen voorzien. In bijlage 34 is op het niveau van de provincies de streekplancapaciteit afgezet tegen de bestemmingsplancapaciteit.

• Van de juridisch beschikbare capaciteit met bouwtitel is 39% in bestaand stedelijk gebied voorzien. Van de totale capaciteit in plannen waar een locatieaanduiding bekend is, is 46% in het bestaand stedelijk gebied voorzien. Dit is meer dan het streefgetal van 40% dat in de Nota Ruimte is opgenomen. Er zijn wel verschillen per provincies. In de provincies Overijssel, Flevoland, Utrecht en Zeeland is minder dan 40% van de toe te voegen capaciteit binnen het bestaand stedelijk gebied voorzien. In de provincies Noord- en Zuid-Holland, Gelderland, Noord-Brabant, Limburg en de noordelijke provincies is meer dan 40% binnen bestaand stedelijk gebied gelegen. Uitschieters zijn de provincies Utrecht en Flevoland met veel uitbreidingslocaties (respectievelijk 72 en 96%).


In dit onderzoek is samengewerkt door IPO en VROM. De voorliggende rapportage is via het IPO aan de provinciale bestuurders en ambtenaren voorgelegd. Zij delen de conclusies over de beschikbaarheid van plancapaciteit van deze rapportage.

Knelpunten bij de inventarisatie van bestemmingsplancapaciteit

In het onderzoek wordt gevraagd naar de bouwvergunningrijpe bestemmingsplancapaciteit. De reden hiervoor is dat wanneer een bestemmingsplan goedgekeurd en juridisch onherroepelijk is, dit nog niet betekent dat in alle gevallen direct gebouwd kan gaan worden. Door middel van artikel 11 kunnen globale bestemmingsplannen met een uitwerkingsverplichting ontwikkeld worden. Dit bestemmingsplan is na de bestemmingsplanprocedure goedgekeurd en juridisch onherroepelijk maar het heeft nog een uitwerkingsverplichting. Met name bij grote bouwlocaties is hier sprake van. In principe betekent dit dat, alvorens te kunnen bouwen, een uitwerkingsplan (van de globale bestemming) gemaakt moet worden. Dit plan kent opnieuw een aantal juridische fasen (waaronder bezwaar en beroep). Artikel 11 kan daardoor tot extra proceduretijd leiden en daarmee een extra obstakel zijn voor het verlenen van een bouwvergunning.

In de inventarisatie wordt daarom gevraagd naar de al dan niet aanwezige uitwerkingsverplichting in bestemmingsplannen. Gemeenten kunnen echter door middel van de zgn. binnenplanse anticipatieregeling (artikel 15 WRO) gaan bouwen. Er vindt een toetsing plaats aan het globale plan.

In beginsel kan deze verplichting al bij vaststelling door de gemeenteraad geconstateerd worden. In de uiteindelijke plancapaciteitsberekening is hiermee rekening gehouden.


Om voor alle provincies (met uitzondering van Noord-Holland) de bouwvergunningrijpe en goedgekeurde bestemmingsplancapaciteit (status 1 WRO) te kunnen onderscheiden was het noodzakelijk enkele aannames te doen. Bij tabel 5 van de rapportage wil ik de volgende opmerkingen plaatsen:

– Binnen een aantal provincies was van een aantal plannen de juridische status onbekend. Dit probleem was het grootst in Groningen, Noord-Brabant en Zuid-Holland. Alleen in Flevoland en Gelderland is de juridische status van alle plannen bekend.

– In een aantal provincies (Drenthe, Noord-Holland, Zuid-Holland (-Zuid), Noord-Brabant en Limburg) was het onderscheid naar categorieën van«potentiële capaciteit» tot «goedgekeurd» niet goed mogelijk.

Voor beide problemen hebben schattingen en toedelingen naar de categorieën plancapaciteit plaatsgevonden.


Op de bestemmingsplanprocedure volgt de bouwplanprocedure; hiertegen kan nog bezwaar ingediend worden (op basis van de aangevraagde bouwvergunning).

Streekplancapaciteit versus behoefte uit bestemmingsplannen

Indien gekeken wordt naar de capaciteit in streekplannen, inclusief de capaciteit die op 1 januari 2004 nog niet juridisch beschikbaar was (zie bijlage 3), kan geconcludeerd worden dat voor een groot aantal provincies (m.u.v. Friesland, Utrecht en Zuid-Holland) tot 2010 voldoende streekplancapaciteit aanwezig is om geen belemmering te vormen voor de invulling met bestemmingplannen tot 2010. Voorwaarde is daarbij dat geen bestemmingsplannen uitvallen en dat de voorhanden streekplancapaciteit ook daadwerkelijk tot goedgekeurde bestemmingsplannen zal leiden. Na die periode is er uiteraard nog ruimte in deze provincies: daarin zullen de nieuwe (in voorbereiding zijnde) streekplannen voorzien. In de provincies Groningen, Noord-Holland (Noord) en Utrecht waren nieuwe streekplannen per 1 januari 2004 in voorbereiding. Daarnaast kunnen provincies door partiële herziening van het streekplan vroegtijdig anticiperen op de benodigde bestemmingsplancapaciteit.

Beleidsconclusies, woningbouwafspraken versus bestemmingsplancapaciteit

Het woningbouwproces, inclusief de voorbereidende fase van het ontwikkelen van bouwvergunningrijpe bestemmingsplancapaciteit, is als het sturen van een groot schip. Er moet nu al aan het roer gedraaid worden om over enige tijd beweging te zien. Na vaststelling door de gemeenteraad van een bestemmingsplan bedraagt de gemiddelde doorlooptijd om tot bouwvergunningrijpe plancapaciteit te komen 7 tot 24 maanden. Indien op dat moment de bouwaanvraag wordt ingediend moet daarna rekening worden gehouden met een gemiddelde bouwtijd van 18 maanden tot aan oplevering van de woningen. Dat heeft tot gevolg dat een gemeente 3½ tot uiterlijk 2¼ jaar voor gewenste opleverdatum actie moet ondernemen om te zorgen dat de door de gemeenteraad vastgestelde bestemmingsplancapaciteit daadwerkelijk leidt tot woningoplevering binnen de afgesproken periode uit de woningbouwafspraken.


Uitgaande van de gemiddelde doorlooptijd van 3½ jaar voor planvorming en bouwtijd samen moet – teneinde het in de woningbouwafspraken voor het jaar 2009 overeengekomen aantal woningen daadwerkelijk te kunnen bouwen – het hiervoor genoemde proces om de woningen van 2009 op te leveren, op zijn laatst halverwege 2006 worden opgestart. Uiteraard moet voor woningen die in eerdere jaren zijn gepland, de start van de plancapaciteitsprocedure eerder starten.


Zoals vermeld doen zich regionale verschillen voor. VROM is, naast de jaarlijkse inventarisatie van plancapaciteit voor woningbouw, daarom een aanvullend verdiepingsonderzoek gestart. Daarbij wordt specifiek naar regio's/gemeenten gekeken met een, in relatie tot de woningbouwopgave, beperkte – harde – bestemmingsplancapaciteit per 1 januari 2004. De aandacht richt zich daarbij met name op de mogelijkheden en knelpunten om tijdig voldoende juridisch beschikbare plancapaciteit, d.w.z. capaciteit die bouwtitel geeft, te realiseren.

Tot slot

Ik ben tevreden met de gemaakte woningbouwafspraken en de inzet van de regio's om te zorgen dat de afgesproken aantallen woningen tijdig, voor 2010, worden gerealiseerd. Daardoor heb ik het vertrouwen dat de regionale partijen de opgave zullen realiseren en dat de gevolgen hiervan op korte termijn zullen zorgen voor een toenemende ontspanning op de woningmarkt, waardoor de mogelijkheden van doorstroming voor de burgers zullen toenemen. Tijdens de uitvoering zal ik de vinger aan de pols houden en ondersteuning bieden als de situatie daarom vraagt. De gemeenten, provincies en regio's zijn nu aan zet om de productie te versnellen en hebben de sleutel in handen om daartoe de benodigde afspraken te maken met de corporaties, de bouwers en ontwikkelaars.


Een vitale voorwaarde voor de woningproductie is het tijdig beschikbaar komen van voldoende harde bestemmingsplancapaciteit om de afgesproken aantallen woningen tot 2010 toe te voegen. Daartoe is een voorschrijdende actualisering van de beschikbare bestemmingsplancapaciteit een belangrijk uitvoeringsinstrument. Het is daarom noodzakelijk dat de betreffende gegevens, die nu per 1 januari 2004 beschikbaar zijn, de komende jaren door provincies worden geactualiseerd zoals in de woningbouwafspraken is afgesproken.


De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
S. M. Dekker

1  Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

2  Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

3  Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

4  Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.