Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vreemdelingrechtelijke rechtspositie van vrouwen in het vreemdelingenbeleid

27 111 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Vergaderjaar 2004-2005

Nr. 16

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 14 juni 2005


In mijn brief van 2 juli 2004 heb ik u aangegeven dat de inwerkingtreding van het gewijzigde Huisvestingsbesluit, waarbij mishandelde vrouwen in opvanghuizen bij absolute voorrang gehuisvest worden, afhankelijk is van de gemeentelijke inspanningen om door middel van het huidige gemeentelijke woningtoewijzingssysteem de stagnatie in de volle opvanghuizen te verminderen (Kamerstukken 27 111, nr. 15). Ik heb de gemeenten, onder meer door middel van een brief via de VNG (die in afschrift met bovengenoemde brief aan u is gezonden), ook daadwerkelijk op hun verantwoordelijkheid gewezen om de mishandelde vrouwen in opvanghuizen bij de gemeentelijke woningtoewijzing tot een van de urgente doelgroepen te bestempelen.

De gemeenten hebben, conform de afspraken in het Bestuurlijk Overleg van 1 april 2004, tot 1 april 2005 de gelegenheid om door middel van het gemeentelijke woningtoewijzingssysteem, waarbij onderhavige doelgroep bij voorrang gehuisvest gaat worden, de stagnatie in de volle opvanghuizen te verminderen. Mocht dit onvoldoende lukken dan zou ik vanaf 1 april 2005 het Huisvestingsbesluit in werking laten treden. Dit heb ik de Tweede Kamer op 2 juli 2004 schriftelijk bericht en ik heb mijn standpunt tijdens het Algemeen Overleg van 7 september 2004 herhaald.


Naar aanleiding van een inventarisatie van de VNG bij alle gemeenten met voorzieningen voor vrouwenopvang (de centrumgemeenten) is gebleken dat in 86 procent van die gemeenten vrouwen in de vrouwenopvang als urgente doelgroep worden bestempeld. Dat is in 30 van de 35 centrumgemeenten. Van de centrumgemeenten zijn er drie waar deze vrouwen niet als urgente doelgroep worden aangemerkt en van twee is het niet duidelijk. Voorts geeft de overgrote meerderheid van de centrumgemeenten (namelijk 77 procent) aan dat er voldoende huisvesting voorradig is voor deze doelgroep en in 8 procent is dit duidelijk niet het geval. In de overige gevallen is dit niet duidelijk. Uit de inventarisatie is tevens gebleken dat de problemen met betrekking tot de doorstroom in de opvanghuizen niet zozeer liggen in een gebrek aan urgentieverklaringen voor de huisvesting voor de doelgroep, maar in (een cumulatie van) andere factoren. Deze factoren zijn doorgaans meer sociaal, administratief en financieel van aard. Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is voornemens om nader onderzoek te doen naar de achtergrond van de trage doorstroming in de opvanghuizen. De resultaten hiervan zullen in de loop van het najaar bekend worden.


Het is nu al wel duidelijk dat de problemen niet opgelost kunnen worden met behulp van (een wijziging van) het Huisvestingsbesluit. Omdat de gemeenten op een aantal van de genoemde factoren in de inventarisatie invloed kunnen uitoefenen zal ik mede namens de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport alle centrumgemeenten schriftelijk aansporen om hun verantwoordelijkheid te nemen bij het versnellen van de doorstroming in de opvanghuizen. Tevens zullen in deze brief de centrumgemeenten waar de urgentie van deze doelgroep vooralsnog niet is geregeld (dit is in 3 van de 35 gemeenten het geval) worden verzocht een dergelijke maatregel alsnog te treffen.


Tenslotte wil ik u er nogmaals op wijzen (zoals ik dat heb gedaan tijdens het Algemeen Overleg van 4 februari 2004 en in mijn brief van 23 december 2003 inzake de beantwoording van vragen over het Besluit tot wijziging van het Huisvestingsbesluit) dat de wijziging van het Huisvestingsbesluit, strekkend tot absolute voorrang voor deze groep vrouwen, in de praktijk tot ongewenste neveneffecten zal gaan leiden. De reguliere woningtoewijzing, waarbij gemeenten de vrijheid hebben conform hun huisvestingsverordening urgentiegroepen te huisvesten, zal namelijk worden verstoord indien deze vrouwen met absolute voorrang boven alle andere urgentiegroepen, zoals mensen met een medische indicatie, gehandicapten en ouderen, moet worden gehuisvest. In het algemeen kan gesteld worden dat op gemeentelijk niveau het best bekeken kan worden wie binnen de gemeente voor welke woning in aanmerking kan komen en met welke voorrang.


Concluderend merk ik op dat vrijwel alle centrumgemeenten een urgentiesysteem voor woningtoewijzing hanteren voor vrouwen uit de vrouwenopvang. Een wijziging van het Huisvestingsbesluit waarbij deze vrouwen een absolute urgentie krijgen, zal dan ook geen substantiële toegevoegde waarde hebben voor de uitstroom uit de vrouwenopvang. Daarentegen zijn er nadelen bij een eventuele inwerkingtreding van het Huisvestingsbesluit met zijn absolute voorrangsbepaling. De reguliere gemeentelijke woningtoewijzing wordt er namelijk door verstoord. Er is gebleken dat met name sociale, administratieve en financiële factoren verantwoordelijk zijn voor de problemen met betrekking tot de doorstroom in de opvanghuizen.


Gezien het bovenstaande zal ik het gewijzigde Huisvestingsbesluit intrekken.


Ik vertrouw u met het vorenstaande voldoende te hebben geïnformeerd.


De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
S. M. Dekker