Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Drugbeleid

24 077 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Vergaderjaar 2004-2005

Nr. 160

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 23 juni 2005


De vaste commissies voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en voor Justitie hebben de ministers van Justitie en van VWS verzocht uitsluitsel te geven over de besteding van de € 6 miljoen, genoemd in de brief van 1 juni over de stand van zaken met betrekking tot de uitbreiding van de heroïnebehandeling (kamerstuk 24 077, nr. 157).

Daarnaast wordt gevraagd inzicht te geven in de aantallen behandelunits, de locaties, de ingediende plannen van de gemeenten en de eigen bijdragen van de gemeenten. Mede namens de minister van Justitie geef ik u in deze brief nadere informatie over uitbreiding van de heroïnebehandeling en de financiering daarvan.

Financiering van de uitbreiding

Voor de uitbreiding is door de minister van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties € 1 miljoen per jaar beschikbaar gesteld voor de periode 2005–2007. Het amendement Van der Laan zorgt aanvullend voor € 6 mln. ten laste van de begroting van Justitie in 2005. Dit bedrag zal gespreid over de jaren 2006–2008 worden overgeheveld naar de begroting van VWS. De behandeling van chronisch verslaafden met heroïne is immers de verantwoordelijkheid van VWS. Het betreft een medische voorziening met als inherent neveneffect vermindering van criminaliteit. De minister van Justitie levert door overheveling van de 6 mln. euro eenmalig een bijdrage aan de realisatie van de uitbreiding van het aantal heroïnebehandelplaatsen.


Van het bedrag afkomstig van de begroting van het ministerie van Justitie zal ik in 2006 € 3 miljoen, in 2007 € 2 miljoen en in 2008 € 1 miljoen beschikbaar stellen voor de uitbreiding van behandelplaatsen. Aan deze spreiding ligt de volgende overweging ten grondslag. Het verhogen van bestaande capaciteit is relatief snel te realiseren. In het geval een gemeente een nieuwe unit wil opzetten, zal er geruime tijd overheen gaan voordat de eerste patiënten daadwerkelijk kunnen instromen. Dat betekent dat de meeste gemeenten in 2005 vooral bezig zullen zijn met voorbereiding, terwijl de uitgaven voornamelijk vanaf 2006 gaan spelen.


In de brief van 1 juni (VGP/DV 2588420) heb ik aangegeven dat de behandeling van patiënten met heroïne tot de registratie van heroïne als geneesmiddel uitsluitend kan plaatsvinden in het kader van wetenschappelijk onderzoek.

In de door de CCBH (Centrale Commissie Behandeling Heroïneverslaafden) ontwikkelde studie zal onderzocht worden wat de effecten van heroïnebehandeling en een aanvullende interventie op het cocaïnegebruik van de patiënten zal zijn. Na goedkeuring door de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) zal het onderzoek in het najaar kunnen starten. De kosten voor deze studie zullen in mindering worden gebracht op het totaal beschikbare budget. Datzelfde geldt voor de aanschaf van heroïne en de daarmee verbonden beheerskosten zolang die niet op een andere wijze kunnen worden vergoed. Het gaat immers om kosten die direct samenhangen met de uitbreiding van de behandelcapaciteit. De onderzoekskosten bedragen voor 2005, 2006 en 2007 respectievelijk circa € 80 000,–, € 300 000,– en € 167 000,–.

Over de financiële gevolgen van de registratie van heroïne als geneesmiddel dient te zijner tijd nog een besluit te worden genomen.

Overzicht aanvragen gemeenten

De Commissie Invoeringsaspecten Behandeling Heroïneverslaafden (CIBH) heeft in haar rapport «Over blijvende zorg» een schatting gemaakt van het aantal benodigde plaatsen (circa 1000), verdeeld over 11 regio's met in totaal 15 behandelunits. In enkele gevallen is het aantal gevraagde plaatsen hoger dan door de CIBH berekend. Het totaal aantal aangevraagde units is ook hoger dan door de CIBH was geschat. Dit heeft te maken met de keuze van gemeenten voor kleinere units dan waarvan door de CIBH was uitgegaan.

Gemeente CIBH-aantal plaatsen aanwezig plaatsen nieuw gevraagd totaal aantal units totaal aantal plaatsen
Amsterdam e.o. 280 regio Amsterdam 70 75 2 145
Den Haag e.o. 95 regio Den Haag 45 30 1 75
Rotterdam e.o. 140 regio Rotterdam 70 90 2 160
Utrecht 40 45 50 2 95
Groningen 95 regio Noord-Nederland 35 15 1 50
Heerlen 90 regio Limburg 35 1 35
Enschede 30 30 1 30
Apeldoorn 80 regio Gelderland 30 1 30
Arnhem 80 regio Gelderland 25 1 25
Nijmegen 80 regio Gelderland   25 1 25
Tilburg* 65 regio Brabant 100 2–4 100
Breda 65 regio Brabant 25 1 25
Haarlem 50 50 1 50
Leeuwarden 85 regio Noord-Nederland 25 1 25
Leiden 95 regio Den Haag e.o. 25 1 25
Maastricht 90 regio Limburg   25 1 25
Deventer 40 regio Overijssel 25 1 25
Zaanstad 280 regio Amsterdam e.o. 35 1 35
Totaal   300 680 22–24 980

* Aanvraag gezamenlijk voor Tilburg, Eindhoven, Den Bosch en Helmond.


In verband met de onzekerheid over de bijdrage van het rijk hebben de gemeenten nog geen onderbouwde begrotingen voor de uitbreiding van de behandeling ingediend.

Sommige gemeenten geven aan de aanvraag te heroverwegen als zij de rijksbijdrage als ontoereikend beschouwen. Dit betekent dat op dit moment nog geen definitief overzicht gegeven kan worden van het aantal behandelplaatsen en het aantal units die uiteindelijk gerealiseerd zullen worden en van de deelnemende gemeenten. Het is dus evenmin mogelijk om in dit stadium een exacte berekening te geven van de bijdrage van het rijk per te realiseren behandelplaats.


Het is duidelijk dat deze rijksbijdrage de totale kosten van de uitbreiding van heroïnebehandeling niet geheel dekt. Gemeenten zullen een substantieel deel van de kosten van de behandelunits zelf moeten dragen.

De CIBH heeft de kosten van een behandelunit van 50 plaatsen geschat op 1,1 miljoen euro. De zes gemeenten die thans al beschikken over een behandelunit ontvangen gezamenlijk 5 miljoen euro voor deze voorziening. Zij leveren dus zelf ook een bijdrage aan de financiering.


Zoals ik in de brief van 1 juni (VGP/DV 2588420) heb aangegeven zal ik de gemeenten op zeer korte termijn informeren over dit financieel perspectief en hen verzoeken aan te geven of zij hun aanvraag al of niet doorzetten. Vervolgens zal ik zo spoedig mogelijk in overleg treden met de gemeenten waarvan de aanvraag afwijkt van de CIBH-richtlijn.


Nadat de gemeenten hebben laten weten of zij daadwerkelijk hun aanvraag willen doorzetten en besluitvorming heeft plaatsgevonden over de verdeling van de rijksbijdrage, zal ik uw Kamer nader informeren.


De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
J. F. Hoogervorst