Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Bouwregelgeving 2002–2006

28 325 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Vergaderjaar 2004-2005

Nr. 19

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 15 juli 2005


In het op 14 juni 2005 gehouden Algemeen Overleg met uw Commissie van VROM over de modernisering van de bouwregelgeving, heb ik diverse toezeggingen gedaan. Middels dit schrijven geef ik op de volgende punten hieraan gevolg.


1. De datum van inwerkingtreding van wijzigingen in het Bouwbesluit

2. Samenhang tussen private NEN-normen en de aanwijzing hiervan in publieke voorschriften

3. De vrije beschikbaarheid van NEN-normen

4. Reactie op het OPB-advies «Gebouwdossier»

1. De datum van inwerkingtreding van wijzigingen in het Bouwbesluit

In het Algemeen Overleg is de komende wijziging van het Bouwbesluit 2003 (Staatsblad 2005, nr. 1), mede in relatie tot aangenomen motie-Vietsch (28 325, nr. 16) aan de orde gekomen. Ik heb daarbij toegezegd u hier nog nader over te informeren. Allereerst verwijs ik naar mijn brief van 23 mei jl. (28 325, nr. 17) waarbij ik in paragraaf 1.2.2. de kern en het belang van de komende wijziging van het Bouwbesluit heb aangegeven. Te weten, een aanzienlijk uniformering van lokaal verschillende eisen voor kinderdagverblijven. Ondertussen heb ik ook een brief ontvangen van de voorzitter van de Belangenvereniging ouders in de kinderopvang (BOiNK). Betreffende brief is mede-ondertekend door de MO-groep, de Branchevereniging ondernemers in de kinderopvang, de GGD-Nederland, het Waarborgfonds Kinderopvang en het Landelijk Netwerk voor Brandpreventie van de NVBR. Deze partijen bevestigen volledig achter de geüniformeerde voorschriften te staan. Verder geven zij onder meer aan dat het wijzigingsbesluit een flexibele indeling van groepsruimten mogelijk maakt en dat het wijzigingsbesluit garandeert dat de brandweerkorpsen landelijk met uniforme regelgeving gaan werken. Betrokkenen spreken dan ook hun zorg uit over een eventueel uitstel van deze Bouwbesluitwijziging en dringen aan op zo spoedig mogelijke invoering. Uit het feit dat deze brief mee-ondertekend is door het LNB geeft aan dat het element van de brandveiligheid ook bij de kinderdagverblijven voldoende adequaat vorm is gegeven.


Zoals al aangeven in mijn brief van 23 mei jl. is het mijn bedoeling de wijziging vrijwel integraal per 1 september aanstaande in werking te laten treden. Ik heb daarbij aangegeven dat het Overlegplatform Bouwregelgeving nog met een advies zou komen op basis van een OPB-werkgroep die de betreffende wijziging nog een keer tegen het licht heeft gehouden gezien commentaar van een enkele partij uit de bouwwereld. Het OPB-advies heb ik inmiddels ontvangen. Het OPB adviseert ten eerste de wijziging op korte termijn in te voeren. Verder:

• adviseert men de aansturing van de eisen van de brandweerlift nader te bezien. Ik neem dit element van het advies over; in de ministeriele regeling Bouwbesluit 2003 zal dit nader zijn uitgewerkt;

• adviseert een meerderheid de eisen ten aanzien van de hoogte van de borstwering bij een te openen raam niet te wijzigen; ik ben voornemens dit meerderheidsadvies over te nemen;

• adviseert een meerderheid de breedte van een vluchtdeur wel te verhogen van 0,60 cm naar 0,85 cm, terwijl een minderheid hier moeite mee heeft. Ik ben voornemens ook hier het meerderheidsadvies op te volgen. Met name omdat daarmee dan een uniforme eis van 0,85 cm gaat gelden voor alle deuren en dit de veiligheid ten goede komt, omdat «flessenhalzen» (te weten een gang van 85 cm breed met aansluitend daarop een vluchtdeur van 0,60 cm) voorkomen kunnen worden.

• adviseert men een aantal punten van zorg die al langer in het Bouwbesluit 2003 aanwezig zijn goed te bestuderen en eventuele wijzigingen mee te nemen in de wijziging van het Bouwbesluit per 2007. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het verschil met betrekking tot het vluchtconcept bij gebruiksfuncties waarin wordt geslapen en het verschil in eisen bij afscheidingen van vloeren, trappen en hellingbanen. Ik zal deze aanbevelingen gericht op de middellange termijn overnemen. Het reeds bestaande interne «plan van aanpak Bouwbesluit 2007 en volgende jaren», zal hiertoe worden geactualiseerd en in het najaar worden voorgelegd aan het OPB.


Per saldo betekent dit dat de wijziging van het Bouwbesluit 2003, zoals gepubliceerd in Staatsblad 2005, nr. 1 met een apart (nog te publiceren) besluit per 1 september 2005 in werking zal treden, met uitzondering van het nieuwe vijfde lid van artikel 2.16 in onderdeel Q ( = borstwering bij te openen raam). Op deze wijze is invulling gegeven aan de inhoud van de motie Vietsch en is de vertraging van de inwerkingtreding van de wijziging van het Bouwbesluit beperkt gebleven. Ondertussen is ook gestart met de voorlichting aan de bouwpraktijk over deze wijziging.

2. Samenhang tussen private NEN-normen en de aanwijzing hiervan in publieke voorschriften

In het AO van 14 juni is gevraagd naar de samenhang tussen privaat ontwikkelde normen en de aanwijzing hiervan de in regelgeving; een en ander mede in relatie tot de implementatie van Europese normen. In dit verband geldt dat het Bouwbesluit 2003 de bouwtechnische voorschriften geeft, waaraan nieuwe en bestaande gebouwen en bouwwerken in Nederland minimaal moeten voldoen. In een deel van de voorschriften wordt verwezen naar NEN-normen. NEN-normen worden uitgegeven door het Nederlands Normalisatie Instituut (NEN). Deze normen, die privaatrechtelijk tot stand komen en door de aanwijzing in het Bouwbesluit 2003 een publiekrechtelijke betekenis krijgen, bevatten de bepalingsmethode waarmee door de bouwende partij én de toezichthoudende overheid kan worden bepaald of er al dan niet aan het Bouwbesluitvoorschrift wordt voldaan. Normen worden trouwens niet dwingend voorgeschreven. Dit betekent dat ook op andere wijze, bijvoorbeeld door middel van een praktijkrichtlijn of op andere wijze aangetoond kan worden dat een bepaalde bouwtechnische oplossing zal voldoen aan de eisen van het Bouwbesluit 2003.


De rijksoverheid maakt bewust gebruik van deze structuur, omdat de normontwikkeling plaatsvindt door belanghebbende bouwpartijen, ondersteund door wetenschappelijke onderzoekers. Daarmee kunnen normen rekenen op draagvlak en is gewaarborgd dat ze aansluiten op de stand der techniek. Overigens worden lang niet alle normen aangewezen. Sterker nog, de overgrote meerderheid van de bouwgerelateerde normen worden niet rechtstreeks door het Bouwbesluit 2003 aangestuurd.


Een terugkerend punt van kritiek is dat normen nogal eens een hoog technisch, wetenschappelijk karakter hebben, waardoor de toepassing ervan (door bouwer en handhaver) als moeilijk kan worden ervaren. Dit punt van kritiek is op zich juist. Bedacht dient evenwel te worden dat de reguliere bouwtechnische oplossingen vrijwel altijd aan de norm voldoen. De aangewezen normen hebben vooral betekenis bij innovatieve oplossingen en in situaties waar het er om gaat op het scherp van de snede (waaronder bij privaatrechtelijke juridische procedures) duidelijkheid te creëren of er aan de publieke voorschriften wordt voldaan.


In het kader van het streven van een vrij verkeer van goederen en diensten, wordt er in Europees verband gewerkt aan het harmoniseren van de Nationale normen. Dit gebeurt door het Europese Normalisatie Instituut (CEN). Alle nationale normalisatie-instituten, waaronder NEN, zijn hierbij betrokken. Zodra er sprake is van een door de Europese norm, dient deze zowel door de Europese Commissie als de lidstaten officieel te worden gepubliceerd. De lidstaten dienen daarbij tevens eventuele strijdigheden in hun regelgeving op te heffen en de nationale normalisatie-instituten dienen conflicterende normen in te trekken, om handelsbelemmeringen te voorkomen. Soms sluit een Europese geharmoniseerde norm namelijk niet aan op bestaande nationale eisen. Dit vergt dan aanpassing van betreffende eisen. Thans is dit het geval bij liftschachtdeuren voor wat betreft de bepaling van de brandwerendheid. De bepalingswijze volgend uit de nieuwe Europese norm wijkt af van de methode zoals die geschiedt bij de brandwerendheid van andere bouwdelen. Hierdoor zijn de resultaten niet goed onderling vergelijkbaar. In samenspraak met VROM wordt door NEN bezien hoe dit op een voor alle partijen bevredigende manier in de onderhavige norm (NEN 6069) opgelost kan worden.

3. De vrije beschikbaarheid van NEN-normen

Het ontwikkelen van normen kost geld. Deze kosten komen in principe ten laste van de marktpartijen die belang hebben bij normontwikkeling en daarom betrokken worden bij normontwikkeling. Het effect hiervan is dat er auteursrechten rusten op die normen, waarmee de gemaakte kosten terugverdiend kunnen worden. Het uitgangspunt is «kostendekkendheid»; de verkoop van normen kent derhalve geen winstoogmerk. De prijs van de normen is afhankelijk van de omvang en varieert van € 25 tot enkele honderden euro's en worden zowel in digitale vorm als op papier aangeboden. Daarbij worden er deelpakketten aangeboden die van toepassing zijn voor een bepaalde beroepsgroep zoals de architecten of de constructeurs. Verder is van belang dat normen in (de meeste) bibliotheken gratis kunnen worden ingezien.


In het geval van bouwtechnische normen draagt het ministerie van VROM financieel bij aan de normalisatie. Dit geldt in het bijzonder wanneer een wijziging van een Bouwbesluitvoorschrift een aanpassing van een bepaalde norm noodzakelijk maakt of in het geval dat Europese normen moeten worden geïmplementeerd. De Minister van EZ is overigens de coördinerend bewindspersoon voor normalisatie. Hij heeft vanuit deze coördinerende rol een project ingesteld met als doelstelling de vindbaarheid, verkrijgbaarheid en toepasbaarheid van normen te verbeteren. Verder wordt in dit kader beoogd de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij normalisatie te vergroten. Mede daartoe is ook een platform «Kenbaarheid van normen en normalisatietrajecten» gevormd, bestaande uit vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Onlangs heeft dit platform een rapportage aangeboden aan de Minister van EZ. De vraag in hoeverre normen waarnaar vanuit de regelgeving wordt verwezen (dit speelt bij de bouwregelgeving, maar ook bij regelgeving op vele andere beleidsterreinen), in de toekomst gratis verstrekt zouden kunnen of moeten worden, komt hierbij aan de orde. Ik verwacht dat de Minister van EZ de Tweede Kamer te zijner tijd zal informeren over genoemde rapportage en zijn standpunt hierop.

4. Reactie op het OPB-advies «Gebouwdossier»

Zoals ik u in ons Algemeen Overleg van 14 juni jongstleden heb gemeld, ben ik tot de conclusie gekomen dat het niet zinvol is verder door te gaan met het «gebouwdossier». Bij motie van het lid Vietsch c.s. van 15 december 20041, zoals door de Tweede Kamer is aangenomen, is de regering verzocht te stoppen met activiteiten, die leiden tot een gebouwdossier. In mijn reactie heb ik toen aangegeven dat het voorstel van het ontwikkelen van een gebouwdossier afkomstig is van OPB. Ten tijde van het indienen van de motie bevond de OPB-praktijkproef met het gebouwdossier zich in een afrondende fase. Inmiddels heb ik het advies ontvangen en heb ik met het OPB gesproken over de merites van het voorstel. Na bestudering van het voorstel en de discussie met het OPB, waar mij een grote verdeeldheid binnen de OPB over het voorstel is gebleken, heb ik gevolg gegeven aan de hiervoor genoemde motie.


De onderliggende overwegingen van het OPB worden door mij wel gedeeld. Met het OPB herken ik namelijk een principiële spanning; enerzijds leeft de wens om te komen tot administratieve lastenverlichting door het schrappen van voorschriften; anderzijds blijft ook de zorg voor het waarborgen van een afdoende veiligheids- en gezondheidsniveau in de gebouwde omgeving bestaan. Zo is veel te zeggen voor de onderliggende benadering van het OPB, die begint bij de eigen verantwoordelijkheid van de burger. Daarbij staat het bieden van transparantie centraal voor potentiële kopers of huurders. Ik ben van mening dat er momenteel sprake is van te weinig transparantie voor kopers en huurders door een slechte ontsluiting van bestaande informatie, een gebrek aan eenduidigheid en een teveel aan «vindplaatsen».


Ik doel hier op de veelheid aan administraties met gebouwgerelateerde informatie, waardoor sprake is van fragmentatie en de burger nogal eens «van het kastje naar de muur wordt gestuurd». Ik ben er van overtuigd dat met ICT-middelen een verbetering van deze situatie kan worden gerealiseerd. Met ICT-middelen kunnen immers bestanden aan elkaar worden gerelateerd, waardoor sneller en eenvoudiger benodigde informatie kan worden opgevraagd. Ik acht het van belang dat in de toekomst een laagdrempelige situatie ontstaat, zodat kopers en huurders daadwerkelijk kunnen beschikken over de relevante informatie op het moment dat zij een koop of huurovereenkomst aangaan, waardoor zij beter in staat zijn hun eigen verantwoordelijkheid te dragen. Het VROM-project authentieke basisregistraties voor gebouwen beoogt onder meer de informatie van het Kadaster én van gemeentelijke dan wel private instanties beter op elkaar te laten aansluiten. Dit neemt niet weg dat ik onder andere in overleg met leden van het OPB de komende tijd zal bezien welke verder acties kunnen worden ontplooid.


Voor wat betreft het gebrek aan eenduidigheid geldt dat het OPB heeft geconstateerd dat de bestaande vrijwillig uit te voeren keuringen lang niet altijd een eenduidig en betrouwbaar beeld geven van de feitelijke kwaliteit van het te kopen of huren object. Ik vind dit zorgelijk, aangezien potentiële kopers of huurders hier wel hun beslissing (mede) op baseren. Ik meen dat hier in de eerste plaats een taak voor de markt ligt om te zorgen voor verbetering hierin. Wel is het goed denkbaar dat VROM hierin een faciliterende rol vult, door bijvoorbeeld te bevorderen dat er een eenduidige en breedgedragen keuringsmethodiek wordt opgesteld door de markt. In het najaar zal ik bezien op welke wijze dit kan plaatsvinden.


Ik zal u komend voorjaar in de door u gevraagde brief over de bouwregelgeving nader informeren over de bereikte voortgang.


De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
S. M. Dekker

1  Tweede Kamer, Vergaderjaar 2004–2005, 28 325, nr. 11.