Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Wijziging van de Wet subsidiëring politieke partijen houdende verhoging van de subsidiebedragen, verbreding van de subsidiabele doelen en aanpassing van de subsidiegrondslag

29 869 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Vergaderjaar 2004-2005

Nr. 16

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 23 augustus 2005


Tijdens de behandeling op 17 maart jl. van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet subsidiëring politieke partijen houdende verhoging van de subsidiebedragen, verbreding van de subsidiabele doelen, en aanpassing van de subsidiegrondslag, heeft uw Kamer de motie Dubbelboer c.s. aangenomen.1 In deze motie wordt verzocht te onderzoeken op welke wijze steun van de rijksoverheid voor landelijke koepels van politieke groeperingen geregeld kan worden. Met deze brief geef ik uitvoering aan genoemde motie.

Bij deze gelegenheid wil ik tevens ingaan op vragen die aan de orde zijn gekomen over subsidie en vormen van overheidssteun die geschieden buiten de kaders van de Wet subsidiëring politieke partijen.

Lokale politieke partijen

In de genoemde motie wordt gesteld dat lokale politieke partijen van groot belang zijn voor het goed functioneren van het democratisch bestel. Aangegeven wordt dat politieke partijen voor werving, opleiding en begeleiding subsidie ontvangen en dat landelijk georganiseerde partijen deze activiteiten voor hun lokale afdelingen faciliteren en hiervoor middelen kunnen aanwenden uit de landelijke subsidie. Landelijke koepels van plaatselijke groeperingen kunnen hierop geen aanspraak maken.

Vooropgesteld zij dat ook het kabinet onderschrijft dat lokaal georganiseerde politieke partijen van belang kunnen zijn voor de lokale democratie. Politieke partijen vertegenwoordigd in gemeenteraden en provinciale staten dienen ook voldoende gefaciliteerd te worden. Daarmee is echter niet gezegd dat de subsidiëring van lokaal georganiseerde politieke partijen een verantwoordelijkheid zou zijn van het Rijk.


Het is juist dat gelden en activiteiten van een ook landelijk georganiseerde politieke partij ook aan de plaatselijke afdelingen en vertegenwoordigers ten goede kunnen komen. Het omgekeerde is echter ook waar. Zo gaat er bijvoorbeeld bij sommige politieke partijen geld van lokale bestuurders naar bestuurdersverenigingen en net zoals lokale afdelingen zullen profiteren van de landelijke partij, profiteert de landelijke partijorganisatie in grote mate van de inzet en betrokkenheid van de vele verenigingsleden op lokaal niveau.

Het zijn juist deze leden op lokaal en provinciaal niveau die de verbinding vormen tussen de politieke partij en de lokale gemeenschap door te functioneren als klankbord, rekruteringspotentieel en lokale vertegenwoordiging. Zij brengen bijvoorbeeld als leden van de vereniging op lokaal niveau de boodschap van de politieke partij over het voetlicht, voeren verkiezingscampagnes en vertegenwoordigen de partij op verscheidene niveau's en in verschillende gremia. In zoverre is het zaak een politieke partij als vereniging in zijn totaliteit te bezien. Dat is ook het uitgangspunt van de Wet subsidiëring politieke partijen.


Op landelijk niveau worden de landelijke politieke partijen gesubsidieerd. Tegen een subsidiëring van lokale partijen door het Rijk zie ik allereerst praktische bezwaren. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderhoudt nu een subsidierelatie met een tiental landelijke politieke partijen. Een volledige Rijksverantwoordelijkheid voor de subsidiëring van alle politieke partijen zou een subsidierelatie impliceren van het Rijk met de vele honderden lokale politieke partijen. Dat betekent dat subsidieaanvragen van honderden partijen met bijbehorende bestedingsplannen en begrotingen in behandeling zouden moeten worden genomen. Vervolgens zou het ministerie van BZK al deze aanvragen en plannen moeten beoordelen en zou vervolgens voor de definitieve vaststelling de verantwoording van de bestedingen moeten worden gecontroleerd. Gelet op de veelheid van daarmee samenhangende administratieve handelingen zou dit leiden tot een verre van efficiënte uitvoering. Reeds daarom ben ik van opvatting dat lokale politieke partijen desgewenst op lokaal niveau moeten worden gesubsidieerd.


Mijn belangrijkste overwegingen zijn echter van meer principiële aard. Zowel in de standpuntbepaling op de notitie Herijking wet subsidiëring politieke partijen als in de toelichting bij het wetsvoorstel Wijziging van de Wet subsidiering politieke partijen (Kamerstukken II, 29 869) is gewezen op de in mijn ogen logische verhouding van gemeenten en provincies tot louter lokaal of provinciaal georganiseerde politieke partijen. Bij een gedecentraliseerde eenheidsstaat hoort een heldere bestuurlijke taakverdeling met gescheiden verantwoordelijkheden en een bijbehorende mate van autonomie voor de verschillende bestuurslagen. Dit geldt op het terrein van de subsidiëring van politieke partijen evenzeer als op veel andere terreinen. Wat betreft de subsidiering van politieke partijen lijkt de verdeling mij helder. De rijksoverheid is verantwoordelijk voor de subsidiëring van politieke partijen die vertegenwoordigd zijn in het parlement. De verantwoordelijkheid voor de lokale partijen berust bij gemeenten en provincies. Deze systematiek vloeit logischerwijs voort uit de verantwoordelijkheidsverdeling tussen het Rijk en de lokale overheden. Deze gedachte in het algemeen is recent nog eens benadrukt in de Code Interbestuurlijke Verhoudingen. Op grond van deze algemene noties over bestuurlijke verantwoordelijkheden blijf ik ook voor de subsidiëring van lokale politieke partijen bij het algemene principe dat lokaal moet gebeuren wat lokaal kan.


Bij de subsidiëring van politieke partijen op lokaal niveau is het aan gemeenten en provincies om daar desgewenst bij verordening invulling aan te geven. Denkbaar is dat daarbij een subsidiemogelijkheid wordt gegeven voor alle partijen die in gemeenteraad of provinciale staten zijn vertegenwoordigd. In dit kader heeft het lid Dölle op 28 juni jl., tijdens de plenaire behandeling in de Eerste Kamer van genoemd wetsvoorstel, de vraag gesteld wanneer gemeentelijke en provinciale subsidiegevers mogen discrimineren tussen lokale en provinciale groeperingen enerzijds en landelijke partijen anderzijds.

Bij het uitsluitend richten van subsidie op partijen die louter lokaal zijn vertegenwoordigd kan de vraag worden gesteld of, gezien het gelijkheidsbeginsel, een gemeente kan overgaan tot subsidiëring van lokale partijen zonder dat partijen, die ook landelijk vertegenwoordigd zijn in de Eerste of Tweede Kamer der Staten-Generaal, op dezelfde voet worden gefaciliteerd. Het gelijkheidsbeginsel staat er op zichzelf niet aan in de weg dat criteria worden gesteld voor subsidieverlening. Dergelijke criteria leiden er vanzelfsprekend toe dat sommige partijen wel en andere niet in aanmerking komen voor subsidiëring. De criteria moeten wel objectief gerechtvaardigd zijn. Dat betekent dat het onderscheid dat wordt gemaakt een legitiem doel moet dienen. Ook moeten de criteria passend en noodzakelijk zijn om dat doel te bereiken. De objectieve rechtvaardiging voor het onderscheid tussen zuiver lokaal georganiseerde partijen en partijen die onderdeel uitmaken van een landelijke partij kan dan naar de mening van het kabinet inderdaad gelegen zijn in het feit dat die landelijke partij al door het Rijk gesubsidieerd wordt.


In de motie Dubbelboer c.s. wordt voorgesteld te bezien of subsidie kan worden toegekend aan landelijke koepels van lokaal georganiseerde partijen. Zoals ook bij eerdergenoemde wetsbehandeling door mij is aangegeven, acht ik het onjuist indien zou worden overgaan tot subsidiëring van lokaal georganiseerde politieke partijen via landelijke koepelorganisaties. Een samenwerkingsverband van politieke partijen op zich is geen politieke partij maar een belangenvereniging voor politieke partijen met uiteenlopende achtergronden. In zoverre vervult een koepelorganisatie van lokaal georganiseerde partijen een andere rol dan een klassieke partij-organisatie.

Mijn bezwaar is dat via een dergelijke systematiek oneigenlijke eisen zouden worden gesteld. Subsidiëring via koepelorganisaties zou namelijk betekenen dat alleen die lokaal georganiseerde politieke partijen overheidssteun ontvangen, die zich bij een (bepaalde) koepelorganisatie hebben aangesloten. Subsidiëring dient te geschieden op gelijk voet. Daarbij mag niet – indirect – de eis worden gesteld dat de partij zich bij een (bepaalde) koepelorganisatie heeft aangesloten. Daarbij wil ik nog opmerken dat de motie Dubbelboer niet duidelijk maakt wat onder een koepelorganisatie zou moeten worden verstaan. Aangenomen moet worden dat ook een samenwerkingsverband van twee of drie lokaal georganiseerde partijen reeds als een koepelorganisatie moet worden aangemerkt. Daarmee ontvalt de ratio aan het subsidiëren via koepelorganisaties.

Momenteel bezie ik samen met de VNG in hoeverre ik, mede naar aanleiding van de motie-Dubbelboer c.s., nadere activiteiten op het gebied van scholing en vorming kan ondersteunen. Het lijkt mij voor de hand liggen dat de koepels van de plaatselijk georganiseerde politieke groeperingen hierbij ook een positie krijgen.

Overige overheidssteun

Tijdens de plenaire behandeling van genoemd wetsvoorstel werd mij door het lid Luchtenveld (VVD) de vraag gesteld of ik op de hoogte was van een subsidierelatie die door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) met de ChristenUnie zou zijn aangegaan, en wat mijn oordeel over deze subsidierelatie is. Verwezen werd daarbij naar informatie op de website van het ministerie van SZW (Stuurgroep Vrouwenparticipatie Christen Unie – Christen Unie Vrouwen en Mannen in de 21e eeuw). Ik heb de Kamer laten weten niet op de hoogte te zijn van een dergelijke subsidierelatie en daar dus vooralsnog geen oordeel over te hebben. Daarbij heb ik de Kamer toegezegd om bij mijn ambtsgenoot van SZW te informeren naar genoemde kwestie en de Kamer daar nader over te berichten. De Minister van SZW heeft hierop het volgende geantwoord:

«Op grond van de Subsidieregeling emancipatieprojecten kan op aanvraag aan een rechtspersoon subsidie verstrekt worden als bijdrage in de kosten van de uitvoering van een project dat bijdraagt aan het versterken van het emancipatieproces, waaronder wordt verstaan het proces van verandering van de maatschappelijke positie van vrouwen ten opzichte van die van mannen. De regeling biedt in principe alle rechtspersonen, waaronder tal van maatschappelijke organisaties en ook politieke partijen, de mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor emancipatieprojecten.

De Stuurgroep Vrouwenparticipatie Christen Unie heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door in 2004 een aanvraag in te dienen. Het project beoogt binnen deze partij de positie van vrouwen te verbeteren. Bij de behandeling van de aanvraag is vorig jaar vastgesteld dat die voldoet aan de in de regeling gestelde voorwaarden.

Gezien de aard en strekking van de Subsidieregeling emancipatieprojecten, sluit deze regeling mijns inziens goed aan op de uitgangspunten van de Wet subsidiëring politieke partijen. Alle partijen zijn «rechtspersoon» en kunnen daardoor in gelijke mate een beroep doen op de regeling. Evenzo garanderen de in de regeling vastgestelde (objectieve) criteria voor de beoordeling dat elke aanvraag op gelijke wijze wordt behandeld.

De regeling bepaalt dat subsidie slechts wordt verstrekt als het betreffende project gericht is op vrouwen in een kwetsbare positie. Bij projecten op het gebied van «besluitvorming en bestuur» (derde thema van de regeling) gaat het dan om het leveren van een bijdrage aan het verhogen van de deelname van vrouwen in verenigingsbesturen, besturen van belangenorganisaties, etc.. In alle gevallen ligt het initiatief en de uitvoering van het project geheel bij de aanvragende partij.»


Tijdens het genoemde plenaire debat werd aan mij tevens door het lid Van der Ham (D66) gevraagd waarom het beleid ten aanzien van bestuursbeurzen voor activiteiten bij organisaties als het ISO en de LSVb anders is geregeld dan voor politieke jongerenorganisaties. Ik heb tijdens het debat aangegeven bij mijn collega's van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) na te gaan hoe dit zit. De staatssecretaris van OC W heeft mij hierover het volgende bericht:


«De steun in de vorm van studentenbeurzen ten behoeve van student-bestuurders van ISO en LSVb enerzijds en ten behoeve van student-bestuurders van politieke jongerenorganisaties en andere organisaties ter behartiging van een ander maatschappelijk of onderwijskundig belang anderzijds, berust op een verschillende grondslag. De studentenbeurzen voor ISO en LSVb zijn geregeld in artikel 3.3 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) en nader geregeld in de Regeling financiële ondersteuning Studentenkamer. De studentenbeurzen voor politieke jongerenorganisaties en andere maatschappelijke organisaties zijn geregeld in artikel 7.51, zevende lid, van de WHW en zijn nader geregeld in het Uitvoeringsbesluit WHW. De steun voor ISO en LSVb en de omvang daarvan, nl per organisatie vijf studentenbeurzen, hangt samen met het feit dat dit studentenorganisaties zijn die bovendien het algemeen belang van de studenten in het hoger onderwijs behartigen. De andere organisaties, die als zodanig geen studentenorganisaties (behoeven) zijn, beogen daarentegen de behartiging van andersoortige (politieke, maatschappelijke) belangen. Bovendien zijn ISO en LSVb – in tegenstelling tot politieke jongerenorganisaties e.a. – krachtens de wet de organisaties waarmee de minister geregeld overleg voert in de Studentenkamer.

Het verschil in aantal studentenbeurzen vloeit dan ook voort uit het verschil in karakter, doelstelling en rol van ISO en LSVb enerzijds en de andere organisaties anderzijds.»


De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes

1  Kamerstukken II, 29 869, nr. 14.