Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Lokale lasten

26 213 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Vergaderjaar 2004-2005

Nr. 17

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 26 augustus 2005


Op 19 mei heb ik u mede namens de bewindslieden van Financiën het rapport: «Lokale belastingen: meer, beheerst!» van de Stuurgroep verkenning decentraal belastinggebied (hierna: Stuurgroep Eenhoorn) aangeboden (kamerstuk 26 213, nr. 14). Het advies van de Stuurgroep Eenhoorn schetst een scenario waarbij op termijn de gehele onroerendezaakbelasting kan worden afgeschaft en worden vervangen door opcenten op de loon- en inkomstenbelasting. Tevens wordt geadviseerd om een aantal kleine belastingsoorten op te schonen. Inmiddels heeft het kabinet de voorstellen bestudeerd en komt tot de volgende conclusies.


Dit kabinet zal niet overgaan tot invoering van de opcenten IB/LB. De Stuurgroep Eenhoorn biedt op zich een aantrekkelijk perspectief op de volledige afschaffing OZB. Dit gaat echter verder dan het Hoofdlijnenakkoord. Daar is alleen sprake van de afschaffing gebruikersheffing OZB op woningen. Het wetsvoorstel «Afschaffing gebruikersheffing op woningen en maximering» ligt separaat ter behandeling voor bij uw kamer. Het kabinet heeft altijd de lijn gehanteerd dat er sprake is van twee afzonderlijke trajecten: enerzijds afschaffing gebruikersheffing OZB en anderzijds de verkenning door de Stuurgroep Eenhoorn.

Ook zijn er nog teveel praktische vragen bij de opcenten IB/LB. Om die reden zal het kabinet de technische aspecten van de opcenten IB/LB nader uitwerken om zichtbaar te maken welke consequenties een volgend kabinet te wachten staan indien zij besluit om de opcenten IB/LB op termijn in te voeren.


Voorts zal het kabinet verkennen of er een mogelijkheid bestaat om de toeristenbelasting en de forensenbelasting samen te voegen tot een verblijfsbelasting. Deze nieuwe verblijfsbelasting zal dan wel een gunstig effect op de administratieve lasten voor ondernemingen moeten hebben. Ook dient rekening te worden gehouden met objectiviteit, lage perceptiekosten en het lastenniveau voor burgers en bedrijven. Ten slotte zal het kabinet de gedoogplicht van gemeenten voor kabels van telecombedrijven in gemeentegrond voor de precariobelasting, doortrekken naar kabels en waterleidingen in de gemeentegrond van nutsbedrijven. Met het bovenstaande geeft het kabinet uitvoering aan zowel de motie De Pater-van der Meer als aan de motie Aptroot/Örgü.


Het voorstel van de stuurgroep Eenhoorn om een provinciale ingezetenenheffing in te voeren is vooralsnog niet aan de orde. Dit is pas aan de orde als de motorrijtuigenbelasting, waarover nu de provinciale opcenten worden geheven, ophoudt te bestaan als algemene belastinggrondslag (naar huidige inzichten in 2012).

Opcenten IB/LB

De Stuurgroep Eenhoorn heeft geconstateerd dat nog belangrijke zaken ten aanzien van de introductie van de opcenten IB/LB bezien zullen moeten worden in aanloop naar de introductie van de opcenten IB/LB. Het kabinet zal deze veelal technische aspecten van de opcenten IB/LB nader uitwerken zonder dat het kabinet hier een principieel oordeel over geeft. Een eventuele keuze voor de opcenten IB/LB is aan het volgend kabinet. Dit kan dan worden meegenomen in een principiële discussie over de plaats en de rol van het lokale belastinggebied in de financiële verhouding.


In de technische uitwerking zullen de volgende zaken nader worden bezien:

– De uitvoeringskosten van de opcenten IB/LB. In het rapport van de Stuurgroep Eenhoorn zijn de kosten geschat op ca. € 200 mln. Ook incidentele uitvoeringskosten van gemeenten zullen in kaart moeten worden gebracht.

– De vraag hoe hoog een eventuele «betekenisvolle» ruimte voor gemeenten zou moeten zijn mede op basis van de koopkrachteffecten die hiermee gepaard gaan. Een en ander mag niet interfereren met de Rijksverantwoordelijkheid ten aanzien van het inkomensbeleid.

– De opcenten IB/LB zijn zeer conjunctuurgevoelig. Dit leidt tot een onzekere situatie voor het begrotingsproces van gemeenten. In de nadere technische uitwerking zal bezien worden welke nadere maatregelen genomen kunnen worden om de conjunctuurgevoeligheid af te dempen, waarbij voorkomen dient te worden dat afwenteling van dat risico plaats vindt op het Rijk, de burgers en het bedrijfsleven. Een mogelijkheid is om een deel van het gemeentefonds apart te zetten en te bestemmen als opvang voor die situaties.

– De wijze van uitvoering van de opcenten IB/LB. In het rapport van de Stuurgroep Eenhoorn is geen keuze gemaakt over de wijze van uitvoering van de opcenten IB/LB, zoals de systematiek van heffing en inning. Deze keuze heeft invloed op de uiteindelijke hoogte van de uitvoeringskosten.

– Een eventuele uitbreiding van het belastinggebied gaat grotendeels ten laste van de burger. Met de vervanging van het huidige belastinggebied door de opcenten IB/LB wordt er een beperktere fiscale relatie gelegd tussen bedrijven in een gemeente en de gemeentelijke financiën, waarbij sprake is van een ongelijke behandeling naar rechtsvorm waarin de onderneming door de belastingplichtige wordt uitgeoefend. Bezien zal moeten worden welke nadere maatregelen dit effect zouden kunnen ondervangen.

– Ook zal nadere aandacht moeten worden besteed aan de herverdeeleffecten die bij gemeenten zullen optreden en in hoeverre deze binnen de systematiek van het gemeentefonds kunnen worden ondervangen. Daarnaast zal bij introductie van de opcenten IB/LB een nieuwe negatieve inkomstenmaatstaf voor het gemeentefonds dienen te worden ontwikkeld, zodat gemeenten blijvend in staat worden gesteld een gelijkwaardig voorzieningenpakket aan te bieden.

– Tot slot zal in de technische uitwerking aandacht worden besteed aan de uitvoering van de Wet Waardering onroerende zaken. De eventuele introductie van opcenten IB/LB kan op gespannen voet staan met de inzet van gemeenten en dit kabinet om te streven naar breder gebruik van de wet WOZ.


In de technische uitwerking zal worden nagegaan op welke wijze de opcenten kunnen worden vormgegeven en wat daarbij de onvermijdelijke consequenties zijn. De onzekere factor hierbij is wat de omvang van de nieuwe belasting zal zijn. Mijn departement zal bij de werkgroep die het bovenstaande gaat uitwerken het ministerie van SZW en het ministerie van Financiën betrekken. De VNG en het IPO zijn in kennis gesteld van het kabinetsstandpunt en de overwegingen van het kabinet. De VNG en het IPO hebben daar hun teleurstelling over uitgesproken. In overleg zal nader bezien moeten worden hoe de VNG en het IPO bij het vervolgtraject betrokken worden.

Kleinere belastingen

De Stuurgroep Eenhoorn heeft zich ook uitgesproken over een aantal kleinere belastingen die als onderdeel van het gehele pakket zouden moeten worden opgeschoond. Alhoewel de Stuurgroep Eenhoorn de opschoning van een aantal belastingen als onderdeel ziet van het totaalpakket, is het kabinet van mening dat voor een aantal belastingen nu maatregelen gewenst zijn.

Bundeling toeristenbelasting en forensenbelasting

In de motie van de leden Aptroot en Örgü (TK 2004–2005, 26 419, nr. 24) wordt het kabinet verzocht de toeristenbelasting te betrekken in het onderzoek van de Stuurgroep Eenhoorn en daarbij rekening te houden met objectiviteit, lage perceptiekosten en het lastenniveau voor burgers en bedrijven. Ook een forse vermindering van de administratieve lasten voor ondernemers ten gevolge van de toeristenbelasting moet daarbij in aanmerking worden genomen.


Het advies van de Stuurgroep Eenhoorn is om de toeristenbelasting te combineren met de forensenbelasting tot een verblijfsbelasting. Het kabinet heeft besloten om te verkennen of door bundeling van de toeristenbelasting en forensenbelasting tot een vereenvoudiging van de belastinggrondslagen kan worden gekomen waarbij de administratieve lasten fors verminderen en waarbij rekening wordt gehouden met lage perceptiekosten en het lastenniveau voor burgers en bedrijven. Tevens zullen andere alternatieven worden onderzocht. Er zal bijvoorbeeld worden gekeken of maximering van de tarieven op korte termijn een uitvoerbare optie is.

Precariobelasting

Ten aanzien van de precariobelasting bestaat er een vrijstelling voor telecombedrijven terzake van kabels van telecomnetwerken en kabeltelevisie maar kunnen nutsbedrijven voor hun elektriciteitsnetten en waterleidingen wèl worden betrokken in de precariobelasting. De motie De Pater-van der Meer (Tweede Kamer 2004–2005, 29 800 B, nr. 9) heeft ervoor gezorgd dat dit probleem is meegenomen in de verkenning.


Het kabinet zal tegemoet komen aan de wensen van de Tweede Kamer en de gedoogplicht voor telecombedrijven doortrekken naar ondergrondse infrastructuur van nutsbedrijven. De gemeentewet zal hierop worden aangepast. Tevens zal door de werkgroep worden onderzocht of de gedoogplicht kan worden uitgebreid met álle ondergrondse kabels en leidingen. In de voorstellen van de Stuurgroep Eenhoorn wordt een totaalpakket geschetst waarbij de gederfde inkomsten bij precario kunnen worden opgevangen door een nieuwe belastinggrondslag: de opcenten IB/LB. Dit kabinet heeft echter niet besloten tot invoering van een nieuwe belastinggrondslag. Door het ophogen van het drempeltarief in de OZB kunnen de gederfde inkomsten worden gecompenseerd.


De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes