Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (XI) voor het jaar 2006

30 300 XI BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ORDENING EN MILIEUBEHEER

Vergaderjaar 2005-2006

Nr. 65

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 18 november 2005


Hierbij bied ik u het rapport «Wonen aan de onderkant»1 aan, uitgevoerd door de Stuurgroep Experimenten Volkshuisvesting (SEV) in opdracht van het Ministerie van VROM. Onderzocht is of en zo ja welke belemmeringen er zijn bij de realisatie van woonvoorzieningen in het laagste segment van de woningmarkt. Bijzondere aandacht is daarbij uitgegaan naar herhuisvesting na huisuitzetting wegens extreme overlast. Met dit traject is de motie over suboptimaal bouwen (Kamerstukken II 2004/2005, 29 800 XI, nr. 62, Veenendaal c.s.) ingevuld. Evenals mijn toezegging aan de Kamer te bezien of (extra) eisen dienen te worden gesteld aan het inpassen van bijzondere voorzieningen, zoals een sociaal pension, in de woonomgeving. Belangrijkste conclusie van het onderzoek is dat er veel initiatieven van de grond komen, en dat er geen sprake is van structurele belemmeringen in wet- en regelgeving bij de realisatie van woonvoorzieningen in het laagste segment van de woningmarkt. Oorzaken voor het soms moeilijk van de grond komen van dergelijke initiatieven zijn veelal de (vrees voor) bezwaren van omwonenden en negatieve publiciteit.

Ik ga in deze brief in op een aantal specifieke onderwerpen van het rapport, waarbij ik ook de intensivering van mijn beleid op dit terrein nader uiteenzet.

Intensivering beleid

De problematiek rondom de onderste treden van de woonladder – ook wel beschreven als «het gat tussen het reguliere wonen en de straat» – is complex en diffuus. De verschillende subgroepen kennen een eigen problematiek die een op maat gemaakte aanpak vergt.

Het woonbeleid van VROM heeft zich de afgelopen jaren met name geconcentreerd op het voorkómen van overlast (o.a. bevorderen bewonersparticipatie) en het tegengaan van illegale praktijken die overlastsituaties in de hand werken (o.a. aanpak onrechtmatige bewoning, huisjesmelkerij). Het rijksbeleidskader, de woonvisies van gemeenten en de prestatieafspraken van corporaties met gemeenten vormen tezamen een kader om het samenhangend beleid voor sociale en fysieke achterstands- en probleemwijken te ontwikkelen. Dit alles vanuit een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling tussen enerzijds de rijksoverheid en anderzijds de lokale overheden en ook de woningcorporaties. Op landelijke niveau worden de kaders gesteld en de wettelijke instrumenten geboden, waarmee op het lokale niveau de partijen aan de slag kunnen.

Toch levert dit onvoldoende resultaten op en acht ik meer sturing en actie wenselijk. Doel van de intensivering op dit terrein is tweeledig: terugdringen van overlast om de leefbaarheid in wijken veilig te stellen en voorkomen dat mensen tussen de wal en het schip (dreigen te) vallen.


Om er – meer dan nu – zeker van te zijn dat de totaalaanpak in de praktijk van de grond komt heb ik extra acties in gang gezet. Het beleid rond de onderste treden van de woonladder heb ik langs drie lijnen ingevuld, waarbij ik ook wil komen tot een aanscherping en intensivering;

1 Wat gebeurt er al,

2 Geen vrijblijvendheid,

3 Partijen stimuleren.

1 Wat gebeurt er al

Het onderste segment van de woningmarkt staat al jaren op de agenda van maatschappelijke organisaties en het rijk. In 2003 is een interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) naar de maatschappelijke opvang afgerond. Het kabinet heeft naar aanleiding daarvan extra middelen beschikbaar gesteld (oplopend tot € 15 mln. in 2007). Daarnaast heeft het kabinet in juli 2005 besloten het project «Geef opvang de ruimte» nog eens twee jaar te subsidiëren. Dit samenwerkingsproject van Federatie Opvang, Aedes en SEV liet in het eerste jaar in een aantal gemeenten al goede resultaten zien ten aanzien van met name passantenverblijven voor dak- en thuislozen. Mede vanwege dit initiatief zijn de eerste stappen gezet om de stagnatie in de doorstroming vlot te trekken.


Op lokaal niveau blijken meer initiatieven te worden genomen en woonprojecten te zijn gerealiseerd dan aanvankelijk gedacht. Uit bijgevoegd onderzoek blijkt echter dat er om redenen van politieke correctheid maar ook ter voorkoming van negatieve publiciteit weinig ruchtbaarheid wordt gegeven aan initiatieven voor met name overlastgevende bewonersgroepen. In augustus van dit jaar heb ik de corporaties verzocht nadere informatie te geven over de inspanningen van corporaties ten aanzien van huisvesting van bijzondere doelgroepen. Er is inmiddels een behoorlijk aantal reacties binnen. De eerste indruk is boven verwachting: corporaties blijken in dit kader zeer actief. Naar verwachting is voor het einde van dit jaar een totaaloverzicht van de prestaties in dit kader van corporaties over 2004 beschikbaar. Op dat moment zal ik uw Kamer hierover informeren.

Ook wordt er reeds veel instrumentarium toegepast om buren- en buurtoverlast te voorkomen en aan te pakken. Zoals de opstelling van aanvullende woonregels, bemiddeling bij conflicten, instellen van meldpunten en de inzet van goed georganiseerde teams voor huisuitzettingsbeleid (corporaties, gemeente, politie en hulpverlening).


In het onderzoek wordt geconcludeerd dat wet- en regelgeving in het algemeen niet als knelpunt voor de realisatie van bijzondere woonvoorzieningen wordt ervaren. Nieuwe wet- en regelgeving wordt door de onderzoekers dan ook niet nodig geacht. De SEV heeft vooronderstelde belemmeringen onderzocht maar heeft deze niet aangetroffen. De Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) staat niet in de weg aan het realiseren van speciale woonvoorzieningen. Als aan een stuk grond een bepaalde bestemming is toegekend, dan bieden de artikelen 17 en 19 WRO mogelijkheden om die bestemmingen (tijdelijk: artikel 17 of permanent: artikel 19) te veranderen in bijvoorbeeld «maatschappelijke voorziening». Wel dient hiervoor een bepaalde procedure in acht te worden genomen. Het is nu eenmaal nodig om (direct) betrokkenen gelegenheid te geven hun mening kenbaar te maken over bepaalde ontwikkelingen.

In de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, die naar verwachting in 2007 in werking zal treden, kan het bestemmingsplan worden aangepast met gebruik van een projectbesluit. Het projectbesluit verzekert dat een project voortvarend ter hand kan worden genomen.


Redenen waarom specifieke woonprojecten soms niet van de grond komen zijn de vrees voor negatieve reacties in de media en de publieke opinie, de vrees voor bezwaren van omwonenden en de vrees voor onbeheersbare situaties.

2 Geen vrijblijvendheid

De problematiek is niet eenduidig en veel partijen zijn nodig om voldoende woonvoorzieningen te realiseren. De verschillende verantwoordelijkheden, rollen en taken moeten scherper worden verankerd. Gemeenten hebben de taak afspraken te maken met onder meer welzijnsinstellingen, politie en corporaties. En in het besluit beheer sociale huursector (BBSH) is vastgelegd dat corporaties de verantwoordelijkheid hebben om kwetsbare groepen te huisvesten. Het is nu zaak hieruit het maximale rendement te halen.


Uit het onderzoek van de SEV blijkt dat bezwaren van omwonenden een belangrijk knelpunt zijn bij de realisatie van specifieke woonvoorzieningen. Daarnaast zijn er signalen dat randgemeenten dergelijke problemen bij voorkeur overlaten aan de centrumgemeente. De vrees voor negatieve publiciteit en de vrees voor bezwaren van omwonenden stimuleren lokale bestuurders niet om dergelijke initiatieven van de grond te trekken. Als eerste stap zal ik daarom op korte termijn de G-31 dringend verzoeken sluitende prestatieafspraken met corporaties en welzijnsinstellingen te maken over voldoende woonvoorzieningen aan de onderkant van de woningmarkt. Accountmanagers van mijn ministerie stimuleren de lokale partijen tot het maken van de afspraken en monitoren of dat gebeurt en wat de resultaten ervan zijn.

De problematiek is het grootst in de grotere steden. Op 5 september jl. heeft een bestuurlijke conferentie over maatschappelijke opvang plaatsgehad. Een kabinetsdelegatie – onder leiding van de Minister van Financiën – heeft met de wethouders van de G-4 en de belangrijkste belangenorganisaties besproken op welke wijze het huidige rijksbeleid kansen biedt om voor deze groep een meer samenhangend en effectiever beleid te voeren. Het streven is eind december een gezamenlijk plan van aanpak te presenteren waarmee de daklozenproblematiek in de G-4 krachtdadig wordt aangepakt. Dit plan moet er toe leiden dat in de vier grote steden de voorwaarden (onder andere huisvesting) aanwezig zijn waaronder de dak- en thuislozen binnen hun mogelijkheden weer kunnen deelnemen aan de samenleving zonder dat zij hun omgeving overlast bezorgen. Conform de wens van uw Kamer (Kamerstukken II 2004/2005, 29 800 XI, nr. 48, Verdaas c.s.) ligt het in de rede dat een protocol huisuitzettingen hiervan onderdeel zal uitmaken. Hierin wordt opgenomen wat de inzet is van corporaties, gemeenten en welzijnsinstellingen bij overlast en huurschuld alvorens tot huisuitzetting wordt overgegaan.


Woningcorporaties hebben een maatschappelijke verantwoordelijkheid in het huisvesten van woonvoorzieningen voor bijzondere en kwetsbare groepen. Uw Kamer heeft bij motie (Kamerstukken II 2004/2005, 29 800 XI, nr. 46, Verdaas/Sterk) verzocht de prestaties van corporaties op dit terrein minder vrijblijvend te laten zijn. Op dit moment wordt in het project «Toekomst corporaties» onderzocht op welke wijze – beter dan nu – zeker gesteld kan worden dat corporaties hun taken daadwerkelijk uitvoeren. Zo zou de realisatie van woonvoorzieningen aan de onderkant van de woningmarkt als een onderdeel van het werkdomein geformuleerd kunnen worden waardoor alle corporaties moeten verantwoorden welke prestaties zij op dit terrein leveren. Naar verwachting ontvangt uw Kamer eind 2005 een brief met betrekking tot het werkterrein (mogelijk met uitbreiding van maatschappelijk vastgoed), de inrichting en de sturing, waarbij ook de investeringsdoelstelling voor corporaties aan de orde zal komen.

3 Partijen stimuleren

Verbetering van de leefbaarheid van wijken, en meer specifiek de aanpak van woonoverlast, staat hoog op mijn agenda. Omdat de SEV vanuit het verleden op dit punt veel ervaring heeft opgebouwd, wil ik samen met de SEV tot een samenhangende aanpak komen. Ook zal ik hierbij andere departementen betrekken.

Uit het onderzoek «Wonen aan de onderkant» blijkt kennisoverdracht van experimenten en voorbeeldprojecten een belangrijk instrument te kunnen zijn om partijen te stimuleren tot meer actie. Ik zal de komende tijd dan ook inzetten op verspreiding van kennis en het stimuleren van de aanpak op lokaal niveau. Zo zal ik het SEV-experimentenprogramma «rare huizen voor rare mensen» steunen. Op basis van het Deense voorbeeld (stimuleringsprogramma voor 360 wooneenheden in drie jaar tijd) gaan vijf à tien Nederlandse steden aan de slag met de realisatie van bijzondere woonvormen. Daarnaast wordt op dit moment een publieksversie van het rapport «Wonen aan de onderkant» ontwikkeld. Op 15 december a.s. zal een SEV-congres «Ongestoord Wonen: keer de overlast en onveiligheid» plaatsvinden. Tenslotte zijn begin 2006 drie handreikingen voorzien; een handreiking preventie burenoverlast, een handreiking aanpak extreme overlast en een handreiking verplaatsbare woonunits en terreinbewoning.


Ter afronding constateer ik dat er geen sprake is van belemmeringen in wet- en regelgeving bij de realisatie van woonvoorzieningen in het laagste segment van de woningmarkt. Oorzaken voor het soms moeilijk van de grond komen van dergelijke initiatieven zijn veelal (de vrees voor) bezwaren van omwonenden en negatieve publiciteit. Desondanks komen er wel initiatieven van de grond. Ik ben ervan overtuigd dat langs de drie lijnen uit deze brief een aantal belangrijke stappen voorwaarts worden gezet om de overlast in woonwijken terug te dringen en te stimuleren dat lokale partijen op lokaal niveau voldoende passende woonvoorzieningen op de onderste treden van de woonladder realiseren.


De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
S. M. Dekker

1  Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.