Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Beleidsplan Crisisbeheersing 2004–2007

29 668 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Vergaderjaar 2005-2006

Nr. 8

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 30 januari 2006

1. INLEIDING

Hierbij doe ik u namens het kabinet de eerste voortgangsrapportage toekomen over de stand van zaken met betrekking tot de uitvoering van het beleidsplan Crisisbeheersing (TK 2003–2004, 29 668, nr. 1). Met het implementeren van de maatregelen uit het werkprogramma van het beleidsplan beoogt het kabinet beter voorbereid te zijn op toekomstige crises. De bedoeling is de effectiviteit en de kwaliteit van het stelsel van crisisbeheersing te versterken en te verbeteren.


Het beleidsplan is de inhoudelijke agenda van het kabinet voor het crisisbeheersingsbeleid in de periode 2004–2007.

Ook in 2005 is weer gebleken dat meer aandacht voor crisisbeheersing en terrorismebestrijding urgent is. De mogelijke uitbraak van vogelgriep, de internationale discussie over een mogelijke pandemie en voorbeelden uit het buitenland zoals een tsunami, overstromingen in New Orleans en bomaanslagen in Londen tonen opnieuw de urgentie van verbeteringen op het terrein van crisisbeheersing in Nederland aan. Met het uitbrengen van het beleidsplan is een eerste stap gezet. In 2005 is zowel op nationaal als decentraal niveau het nodige bereikt en in gang gezet.

Crisisbeheersing is een belangrijk en complex beleidsdossier dat een heldere verantwoordelijkheidsverdeling tussen de verschillende partijen vergt. Centraal daarbij staan het probleemoplossend vermogen van professionals op lokaal niveau en in het bedrijfsleven, glasheldere afspraken en een eenvoudige en eenduidige aansturing, een goede geoefendheid van alle betrokkenen, alsmede goed toegeruste hulpverleningsdiensten. Het kabinet zet zich in om dat in 2006 verder te realiseren.


Crisisbeheersing op nationaal niveau is in eerste instantie een verantwoordelijkheid van iedere vakminister voor zijn of haar beleidsterrein. Tegelijkertijd is crisisbeheersing in toenemende mate een dossier met een intersectoraal en interdepartementaal karakter dat gezamenlijke, departementsoverstijgende inspanningen vergt. Ik zie het als mijn taak die intersectorale belangen te waarborgen.


Deze eerste integrale voortgangsrapportage geeft u op hoofdlijnen een overzicht van de belangrijkste resultaten en producten tot nu toe, alsmede een vooruitblik op de belangrijkste activiteiten in 2006. Voor de uitvoering van het beleidsplan is voor 2005 10,7 miljoen euro aan de begroting van BZK toegevoegd. De financiële verantwoording hiervan vindt plaats bij gelegenheid van de jaarrekening.

2. RISICOBELEID

Risicobeleid algemeen

Met het beleidsplan Crisisbeheersing wil het kabinet het functioneren van de overheid(heden) verbeteren, zodat de burger in die overheid(heden) weer meer vertrouwen krijgt, ook al is dat zonder veiligheidsgarantie.


Voorkomen is beter dan genezen: na rampen en crises wordt vaak de vraag gesteld of en hoe ze hadden kunnen worden voorkomen of beperkt in hun gevolgen. Risicobeleid richt zich op het geven van antwoorden op deze vragen. De overheid moet transparant zijn in wat burgers van haar mogen verwachten. Het vergroten van het bewustzijn bij bestuurders, bedrijven en burgers om in de planfase van nieuwe activiteiten of beleidsvorming rekening te houden met de crisisbestendigheid ervan is een van de speerpunten van dit beleid. Het beleid, gericht op het voorkomen en beheersbaar maken van crises en rampen, is primair de verantwoordelijkheid van de sectoren, vakdepartementen en medeoverheden.


Vanuit het oogpunt van crisisrespons heb ik in de afgelopen periode het accent gelegd bij het vergroten van de mogelijkheden van burgers om ten tijde van een crisis of ramp zichzelf te redden (zelfredzaamheid) en het (mede daardoor) vergroten van de mogelijkheden voor hulpverlening. Deze aspecten worden ingebracht in relevante beleidstrajecten. Het gaat er daarbij om dat zelfredzaamheid en hulpverlening in samenhang worden bekeken en steeds weer in balans worden gebracht met de risico’s en dreigingen in een gegeven situatie. Resultaten van deze werkwijze zijn (onder andere) terug te vinden in recent tot stand gekomen beleid en regelgeving. Bijvoorbeeld op de terreinen gevaarlijke stoffen (o.a. Besluit externe veiligheid inrichtingen) en tunnelveiligheid (beleidsnota Tunnelveiligheid en daaruit voortvloeiende voorstellen voor regelgeving). Verder worden deze aspecten ook meegenomen bij de besluitvorming over veiligheid van nieuwe railinfrastructuur (o.a. projecten HSL-Zuid en Betuweroute). Tevens zijn de aspecten zelfredzaamheid en hulpverlening uitgewerkt in de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico die (samen met de minister van VROM) in het kader van het externe veiligheidsbeleid is ontwikkeld voor de medeoverheden. Binnenkort is een gevalideerd meetinstrument beschikbaar ten aanzien van veiligheidsbewustzijn van burgers. Het vermogen van burgers om verstandig en effectief te reageren op een crisis of ramp, en de beïnvloedingsmogelijkheden daarvan, staan daarbij centraal.


De komende periode zal ik intensief inzetten op het bevorderen van de crisisbestendigheid. Hiertoe zal onder andere een crisisbestendigheidstoets worden ontwikkeld, waarin criteria zijn opgenomen voor de (zelf) beoordeling van de mate waarin beleidsvoornemens en plannen voldoende rekening houden met de kans op en de gevolgen van een crisis of ramp op het betreffende beleidsterrein. Het is echter ook van groot belang om de aandacht te richten op de grootste risico’s die ons land bedreigen, omdat crisisbeheersing in vrijwel alle sectoren aan de orde is. Daarom zal in de komende periode gezocht worden naar een methode om deze risico’s op een systematische en transparante wijze met elkaar te vergelijken en op basis daarvan te komen tot een rangorde in risico’s. Deze rangorde moet uiteindelijk leiden tot prioriteiten in de voorbereiding op crisisrespons.

Risicokaart

Vanaf 2004 zijn de provincies – vooruitlopend op de inwerkingtreding van titel 12.2 van de Wet milieubeheer en artikel 6a van de Wet rampen en zware ongevallen – nadrukkelijk aan de slag met de productie van de risicokaart, gebaseerd op het landelijk model, dat eind 2003 aan de provincies is aangeboden. In april 2005 publiceerde de provincie Overijssel als eerste de op dat model gebaseerde risicokaart. Het is de bedoeling dat in 2006 alle provincies over een dergelijke risicokaart beschikken, die via het internet toegankelijk is.


Inmiddels hebben zich in Nederland, maar vooral daarbuiten, terroristische aanslagen en dreigingen voorgedaan die de toegankelijkheid van openbare gegevens met betrekking tot veiligheidsrisico’s in een ander licht plaatsen. Het kabinet heeft zich op het standpunt gesteld dat het aspect veiligheid (security) onder omstandigheden zwaarder moet wegen dan het aspect van onbeperkte toegankelijkheid tot openbare overheidsinformatie. Inmiddels heeft de Raad van State advies uitgebracht over een wetsvoorstel tot wijziging van artikel 6a van de Wet rampen en zware ongevallen.

De voorgestelde wijziging heeft als doel om vanuit veiligheidsoverwegingen de minister van BZK beperkingen te kunnen laten aanbrengen in de toegankelijkheid van de provinciale risicokaarten. Het gaat er hierbij vooral om dat effectafstanden niet meer op risicokaarten via het internet worden getoond. Aan de openbaarheid van deze effectafstanden wordt niet getornd. Burgers kunnen bij het bevoegd gezag informatie daarover verkrijgen.

De minister voor BVK zal het initiatief nemen voor een brede discussie over de mogelijke risico’s bij het gebruik van internet bij overheidscommunicatie.

Kabinetsstandpunt Commissie Borghouts

De Commissie tegemoetkomingen bij rampen en calamiteiten (CTRC; cie. Borghouts) heeft mij begin 2005 haar eindrapport aangeboden. Zij beveelt onder andere een onderzoek aan naar de vraag welke risico’s verzekerbaar zijn en welke niet. Op dit moment verricht een extern bureau verkennend onderzoek naar bestaande (on)mogelijkheden om bepaalde risico’s te verzekeren. Doel is een beter inzicht te verkrijgen in de verzekeringsmarkt, waardoor verzekeringsmogelijkheden voor gedupeerden (burgers en bedrijven), bijvoorbeeld tegen bepaalde vormen van waterschade, worden vergroot, zodat er minder snel een beroep op de overheid wordt gedaan.

Binnenkort zullen de resultaten van dit onderzoek bekend zijn. Nadat die resultaten in het kabinetsstandpunt zijn verwerkt, wordt dit medio 2006 aan de Tweede Kamer aangeboden.

Balans

Een aantal belangrijke resultaten op het terrein van risicobeleid zijn:

• Beleid en regelgeving op de terreinen gevaarlijke stoffen en tunnelveiligheid is tot stand gekomen.

• Een gevalideerd meetinstrument ten aanzien van veiligheidsbewustzijn van burgers komt beschikbaar.

3. CRISISBEHEERSING OP NATIONAAL NIVEAU

Aanpassing Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming

Zoals eerder geanalyseerd in het beleidsplan is het huidige stelsel voor crisisbeheersing onvoldoende toegesneden en voorbereid op de hedendaagse dreigingen die complexer en grootschaliger zijn en meerdere sectoren betreffen dan voorheen. Voor een goede crisisbeheersing is cruciaal een stelsel waarin sprake is van centrale aansturing en doorzettingsmacht, zodat op één punt beslissingen kunnen worden genomen. De gewenste snelle centrale regie, zowel landelijk als op regionaal niveau, staat op gespannen voet met de huidige regelgeving en bestuurscultuur. De crisisbeheersing is in ons land, zowel bestuurlijk als operationeel, op lokaal niveau georganiseerd en er is onvoldoende aansluiting met de bovenliggende niveaus.


Op dit moment wordt gewerkt aan een actualisering van het Nationaal Handboek Crisisbesluitvorming. In vergelijking met de vorige versie uit mei 2002 wordt het Handboek aangepast op basis van de in het beleidsplan vastgestelde verantwoordelijkheidstoedeling inclusief terrorismebestrijding. Een goede voorbereiding op rampenbestrijding is ook een goede voorbereiding op terrorismebestrijding. Begin 2006 verspreiden de minister van Justitie en ikzelf een Handreiking terrorismebestrijding op lokaal niveau onder het openbaar bestuur en de hulpverleningsdiensten.

De aanpassingen van het Nationaal Handboek betreffen zowel de structuren op rijksniveau, nader te maken afspraken op decentraal niveau als ook de rol en positie van het bedrijfsleven. Komend voorjaar wordt het aangepaste Handboek aan uw Kamer aangeboden. Ik zie het handboek als een levend document dat periodiek wordt geactualiseerd en tevens wettelijk verankerd.

Wetgeving crisisbeheersing

In het beleidsplan heeft het kabinet een aantal beleidskeuzen gemaakt die moeten worden vastgelegd in wet- en regelgeving. Omdat voor de meeste decentrale onderwerpen duidelijk is wat moet worden geregeld, worden deze als eerste neergelegd in wetgeving. De regeling met betrekking tot de veiligheidsregio zal haar beslag krijgen in een wetsvoorstel dat in 2006 aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd. Zie verder paragraaf 4.

Wat het nationale niveau betreft worden de regelingen omtrent de bijstandsverlening en de interventiemogelijkheden van de minister van BZK in fasen van preventie, preparatie en respons tegen het licht gehouden. Ook zal op nationaal niveau de specifieke departementale (nood)wetgeving op het terrein van crisisbeheersing worden bezien, hetgeen moet uitmonden in voorstellen tot aanpassing van de (nood)wetgeving.

Zoals aangegeven in de brief over Modernisering van de overheid van 20 september 2005 (Kamerstukken 2005/06, 29 362, nr. 50) zal in 2006 het wetgevingstraject starten voor crisisbeheersing op nationaal niveau.

Intensivering civiel-militaire samenwerking (ICMS)

Bij brief van 22 april 2005 (TK 2004–2005, 29 800 X, nr. 84) heeft het kabinet een koerswijziging aangekondigd, waarmee de krijgsmacht verandert van een incidenteel vangnet voor de civiele autoriteiten in een structurele veiligheidspartner voor politie, brandweer en geneeskundige organisaties. Door te investeren in deze samenwerking en daar bindende afspraken over te maken, vergroot de overheid haar slagkracht op het gebied van nationale crisisbeheersing. Dit voorjaar presenteren de minister van Defensie en ikzelf namens het kabinet een pakket aan maatregelen op gebieden als de bescherming van objecten en gebieden, havens en het luchtruim, maar ook op het terrein van gezamenlijk oefenen, kennis vergaren, informatievoorziening e.d. Voor wat betreft dat laatste testen de minister van Defensie en ikzelf momenteel bij het Landelijk Operationeel Centrum (zie hierna) de toepasbaarheid van een netcentrische benadering van de informatievoorziening. Deze benadering vindt haar oorsprong in de internationale militaire crisisbeheersing en maakt het mogelijk informatie uit functionele systemen te ontsluiten en te integreren tot één actueel beeld van de situatie. Het project koppelt systemen als MultiTeam, Veiligheidsnet, Incidentmaster en het militaire systeem ISIS. Naast het LOCC werken hier ook het NCC, het Defensie Operatiecentrum en drie veiligheidsregio’s aan mee.

Alertering

Per 1 april 2005 is het Alerteringssysteem Terrorisme opgeleverd. Het systeem is prioritair uitgewerkt voor vijf sectoren, te weten drinkwater, elektriciteit, personenvervoer per spoor, de haven van Rotterdam en de luchthaven Schiphol. Sinds 3 oktober 2005 zijn de sectoren gas, electriciteit en nucleair aangesloten. Op 21 december 2005 is de sector Stads- en Streekvervoer aangesloten.


Op dit moment vindt onderzoek plaats naar de mogelijkheden dit alerteringssysteem te verbreden naar andere vormen van crises, zoals (structurele) uitval van energie, telecommunicatie en ICT, pandemieën et cetera. Voor een aantal van deze typen incidenten, zoals bijvoorbeeld infectieziekten, bestaan reeds alerteringssystemen, ook op internationaal niveau. De crisistypen hebben een directe relatie met de uitkomsten van het programma Bescherming Vitale Infrastructuur. Bij het onderzoek wordt mede gebruik gemaakt van de ervaringen met dergelijke systemen in het buitenland, de NAVO en de EU. In het kader van de Intensivering Civiel Militaire Samenwerking wordt bezien op welke wijze een koppeling mogelijk is tussen de dreigingsniveaus en de reactietijden van specialistische militaire capaciteiten.

De resultaten van het onderzoek over de beoogde verbreding worden begin 2006 opgeleverd. Alsdan zal ik bezien of uitbreiding van het alerteringssysteeem noodzakelijk en haalbaar is.

Shared Services Crisisbeheersing (SSCB)

Een belangrijk knelpunt van de huidige nationale organisatie van producten en diensten op het gebied van crisisbeheersing bestaat eruit dat vele producten en diensten óf niet óf op verschillende plaatsen binnen de rijksoverheid worden aangeboden. De introductie van de Shared Services Crisisbeheersing (SSCB) als een permanente voorziening van en voor de rijksoverheid voorziet in dat knelpunt. De concrete producten en diensten van het SSCB worden in projectverband ontwikkeld. Alle producten en diensten zijn uiterlijk 1 januari 2008 gereed. Het betreft zaken als:

• (tijdelijke) operationele ondersteuning door middel van het uitwisselen van medewerkers tussen de Departementale Coördinatiecentra.

• opleiden en oefenen: het verzamelen, opslaan, veredelen en distribueren van informatie op het gebied van (inter)departementale oefeningen en opleidingen; het volgen van gezamenlijke opleidingen.

• de voorbereiding en de uitvoering van het nationale gedeelte van internationale oefeningen en de grootschalige oefeningen.

• functie van kennismakelaar: het met elkaar verbinden van de kennisvraag en het kennisaanbod van anderen.


Op dit moment is met name het deelgebied Oefenen nagenoeg operationeel. De voorbereidingen van meerdere (inter)nationale multidisciplinaire oefeningen in 2006 en 2007 zijn gestart. De geplande oefeningen in 2005 zijn voorbereid en uitgevoerd. De inventarisatie voor de databank oefenen is afgerond. De eerste opzet van de databank wordt (inter)departementaal afgestemd. De opleiding en training van de leden van het Interdepartementaal Beleidsteam (IBT) en Ministerieel Beleidsteam (MBT) leden wordt ontwikkeld. Verder heeft de Shared Services in het afgelopen jaar de departementen begeleid bij een aanbesteding van diensten op het gebied van crisisbeheersing.

Opleiden en oefenen op nationaal niveau

Het voorjaar van 2005 stond in het teken van twee grootschalige oefeningen, te weten Bonfire (6 april) en de Nationale Stafoefening nucleair (NSOn, 25 mei). Beide oefeningen hebben veel «lessons learned» opgeleverd en trajecten zijn in gang gezet om verbeterpunten aan te pakken en leerervaringen te borgen. In het kader van het borgingstraject Bonfire zijn negen goed bezochte en waardevolle regionale bijeenkomsten gehouden. Een leidraad multidisciplinair grootschalig oefenen is in ontwikkeling. De evaluatie van Bonfire is in september besproken in de Tweede Kamer; het evaluatieverslag van de NSOn hebben de minister van VROM en ikzelf op 3 november 2005 (TK 2005–2006, 21 015, nr. 15) aan de Kamer aangeboden.

Om ervaringen ook op internationaal niveau te delen, werd naar aanleiding van de oefening Bonfire op 1 september een internationale conferentie georganiseerd die in het teken stond van het organiseren van grootschalige oefeningen.

Voor 2006 staan voor (delen van) het kabinet twee oefeningen gepland. Deze zullen plaatsvinden in het voorjaar en in het najaar. Het eerste scenario betreft een terroristische aanslag, in de tweede oefening staat een grootschalige uitval van ICT centraal. De bij gelegenheid van het AO Bonfire toegezegde oefenkalender treft u hierbij aan als bijlage 11. De kalender bevat interdepartementale oefeningen, oefeningen van de G4 en decentrale oefeningen met subsidie van BZK.

Op dit moment wordt gewerkt aan het opstellen van een interdepartementaal oefenbeleidsplan. Hierin wordt aangegeven hoe vaak er op centraal niveau geoefend wordt, welke organisaties hierbij betrokken worden en welke competenties en thema’s beoefend moeten worden. Naar verwachting is het oefenbeleidsplan voorjaar 2006 gereed. De afspraken over gemeenschappelijk oefenen, zoals de minister van Defensie en ikzelf die momenteel uitwerken in het kader van het project «Intensivering Civiel-Militaire Samenwerking», maken hiervan onderdeel uit.

Kwaliteitszorg crisisbeheersing

Kwaliteitseisen

De werking van het stelsel voor crisisbeheersing moet in alle fasen van de veiligheidsketen objectief kunnen worden beoordeeld. Ik wil hiertoe allereerst het vereiste kwaliteitsniveau eenduidig vastleggen. In het najaar is een traject in gang gezet dat leidt tot eisen aan de voorbereiding op de crisisbeheersing. Voor de interdepartementale crisisbeheersing worden basiseisen vastgesteld. Voor het decentrale niveau zijn kwaliteits- en prestatieeisen voorzien. Alle eisen moeten gebruikt kunnen worden bij de voorbereiding door de betrokken organisaties zelf en door de toezichthoudende rijksinspecties. De basiseisen aan de interdepartementale crisisbeheersing zijn in de zomer van 2006 gereed.

Kwaliteitszorg bij Departementale Coördinatiecentra en op decentraal niveau

In 2005 zijn kwaliteitsaudits bij de Departementale Coördinatiecentra (DCC’s) uitgevoerd. Uit de audits blijkt dat de organisatorische voorzieningen overeenkomen met wat volgens het betrokken Departementale Coördinatiecentrum nodig is om het crisisbesluitvormingsproces mogelijk te maken. Daar waar afwijkingen zijn geconstateerd, zijn verbeteracties aangekondigd. Ik zal toezien op de uitvoering van deze verbeteracties. De kwaliteitsaudits van de DCC’s zijn een eerste stap op weg naar integrale kwaliteitszorg van de nationale crisisbeheersingsorganisatie.

Voor de decentrale crisisbeheersing wordt in de eerste helft van 2006 een «visiedocument integrale kwaliteitszorg crisisbeheersing» opgesteld.

Kwaliteitstoetsing

De kwaliteit van de crisisbeheersing wordt op verschillende manieren en door diverse instanties getoetst. Bij de uitvoerende organisaties is sprake van zelftoetsing en externe visitatie/auditing waarbij ook andere organisaties worden betrokken. De provincies toetsen de decentrale planvorming voor de rampenbestrijding. Beleidsdirecties kunnen de implementatie en/of de effecten van het rijksbeleid monitoren en er kan toezicht op de besteding van rijksbijdragen plaatsvinden. De voorbereiding op de responsfase wordt getoetst door middel van nationale oefeningen en crises zelf worden geëvalueerd.

De betrokken Rijksinspecties ten slotte gaan gezamenlijk rijkstoezicht uitoefenen. Om de toezichtslast zo beperkt mogelijk te houden zullen de inspecties maximale complementariteit nastreven met de overige vormen van toetsing. Hiertoe wordt het – gezamenlijke – Rijkstoezicht primair gericht op de werking van het totale systeem van crisisbeheersing onder praktijkomstandigheden. De Inspectie OOV heeft daarbij ook een coördinerende taak. Bij dit systeemtoezicht zal geen – kunstmatig – onderscheid worden gemaakt tussen centraal en decentraal niveau of tussen overheid en bedrijfsleven.

Om de complementariteit te faciliteren zal ik bij alle vormen van toetsing de uniformiteit in toetsmethoden en beoordelingsnormen bevorderen, alsmede de validiteit van de toetsing.


Het Rijkstoezicht op de rampenbestrijding en op de crisisbeheersing worden geïntegreerd. Hiertoe wordt de huidige regionale Algemene Doorlichting Rampenbestrijding (ADR) aangevuld met de beheersing van crises, en vervolgens ook met de crisisbeheersing op provinciaal en nationaal niveau.

In november 2005 is gestart met een pilot voor het toezicht op de regionale invulling van de rampen- en crisisbeheersing. In 2006 wordt het geïntegreerde toezicht op regionaal niveau ingevoerd. De uitbreiding van het instrumentarium met het nationale en provinciale niveau zal in de loop van 2006 worden afgerond. Wanneer het toezichtsinstrumentarium volledig kan worden toegepast is mede afhankelijk van het beschikbaar komen van praktijkgerichte en toetsbare prestatie-eisen.

Evaluaties van crises

De minister van BZK ziet erop toe dat elke crisis waarbij een of meerdere departementen bij de afhandeling zijn betrokken, wordt geëvalueerd. De ministers van de vakdepartementen zijn verantwoordelijk voor hun eigen evaluaties. Doel van een evaluatie is te leren; wat ging goed, wat kan beter? Een aantal incidenten is aangegrepen om de informatievoorziening aan en vanuit het ministerie van BZK door te lichten.

Om de evaluatie van crises een steviger fundament te geven is een leidraad voor evaluaties ontwikkeld. De leidraad bevat eisen aan de opzet en doorlooptijd van een evaluatie.

Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum (LOCC)

Per 1 september 2005 is het LOCC (Landelijk Operationeel Coordinatie Centrum) operationeel geworden. Het LOCC valt onder mijn gezagsverantwoordelijkheid en is gehuisvest bij het KLPD in Driebergen; het LOCC wordt bemensd vanuit de disciplines van de hulpverlening (politie, brandweer, GHOR) en de krijgsmacht. Het LOCC coördineert alle bovenprovinciale mono- en multidisciplinaire bijstand. Daartoe houdt het LOCC onder andere de beschikbare hulpverleningscapaciteit in Nederland bij en bereidt operationele scenario’s voor. In aanvulling op het NCC dat zich op de bestuurlijke informatievoorziening richt, richt het LOCC zich dus op de operationele kant. In 2006 wordt in overleg met de betrokken operationele diensten onderzocht welke rol het LOCC kan spelen in de operationele aansturing.

Balans

Een aantal belangrijke resultaten op het terrein van crisisbeheersing op nationaal niveau zijn:

• de civiel-militaire samenwerking is geïntensiveerd.

• er zijn twee grootschalige crisisoefeningen gehouden (Bonfire en NSOn).

• het Landelijk Operationeel Coördinatiecentrum is operationeel.

4. CRISISBEHEERSING OP DECENTRAAL NIVEAU


Belangrijkste ijkpunten voor de versterking van crisisbeheersing op decentraal niveau zijn de regionalisering van de crisisorganisatie, de verbreding in de planvorming van rampbestrijding naar crisisbeheersing, het stellen van kwaliteitseisen aan de crisisbeheersing, het vormgeven van een multidisciplinair opleiding- en oefenbeleid en het stimuleren van het multidisciplinair oefenen.

Inrichting regionaal veiligheidsbestuur

In de brief van 27 april 2005 (29 517/29 668, nr. 4) heb ik de hoofdlijnen voor de inrichting van het regionale veiligheidsbestuur beschreven. Hiermee heb ik invulling gegeven aan zowel het kabinetsstandpunt Veiligheidsregio’s als het beleidsplan Crisisbeheersing. Er komt één regionaal veiligheidsbestuur dat verantwoordelijk is voor de multidisciplinaire voorbereiding op de crisisbeheersing, het beheer van de meldkamer, de advisering richting gemeenten over proactie- en preventiebeleid, en de monodisciplinaire taakuitvoering van de regionale brandweer en de GHOR.

De territoriale congruentie is nagenoeg voltooid, ten aanzien van de toedeling van Schiphol zullen mijn collega Minister van Justitie en ik spoedig een beslissing nemen.

In het kabinetsstandpunt Evaluatie politieorganisatie is aangegeven dat het regionale politiebestuur per 1 januari 2008 wordt geïntegreerd met het regionale veiligheidsbestuur. De samenwerking met de politie en het regionale veiligheidsbestuur wordt voor de tussenliggende periode door de regionale besturen in een convenant vastgelegd.

Ten aanzien van de voorzitter van het Regionaal Beleidsteam (RBT) heeft de Tweede Kamer de motie Cornielje c.s. aangenomen (TK 2004–2005, 29 517, nr. 5, 21 juni 2005). Voor mij is van belang dat het in de praktijk werkbaar is en snelle eenduidige besluitvorming totstandkomt. Voor de invulling van de rol van de voorzitter in het RBT oriënteer ik mij op de ervaringen in de regio’s en een passende bestuurlijke inbedding. Ik heb hiervoor overleg met een aantal bestuurders. Ik zal u hierover in het eerste kwartaal van 2006 informeren.


Het regionale veiligheidsbestuur moet voor een effectieve crisisbeheersing met diverse partners afstemmen. Het betreft onder meer de waterschappen, het OM en de rijksheren -gedeconcentreerde organen van verschillende ministeries.

Ten behoeve van de veiligheidsregio’s wordt een beschrijving opgesteld van de taken, bevoegdheden en de rol van de rijksheren in de veiligheidsregio, zowel bij de preparatie als in de respons. Van belang is dat de afstemming tussen rijksheren en het regionale bestuur in de diverse plannen is opgenomen en in de praktijk onder meer in gezamenlijke oefeningen tot uitdrukking komt. Nagegaan moet worden in hoeverre dit leidt tot wijzigingen in wetgeving.


Zoals in de brief over de Modernisering van de overheid van 20 september 2005 (TK 2005–2006, 29 362, nr. 50) is gemeld zal de decentrale bestuurlijke structuur (veiligheidsregio) zijn beslag krijgen in een wetsvoorstel dat in 2006 aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd.


Op 24 oktober 2005 is een bestuurlijke conferentie gehouden in het kader van de veiligheidsregio, waarin onder andere is gesproken over de stand van zaken en knelpunten, zoals geconstateerd in de meting Tussenbalans. Deze conferentie zal jaarlijks plaatsvinden en in 2006 onder meer in het teken staan van de resultaten van de eindmeting invoering veiligheidsregio’s.

Opleiden en oefenen decentraal

Het eerder ingezette viersporenbeleid ten aanzien van oefenen wordt ook in 2006 met kracht voortgezet. Het gaat daarbij om:

1. het standaardiseren van de competentieprofielen van functionarissen in crisisteams, deze worden in het voorjaar van 2006 in een multidisciplinair normenboek opgenomen;

2. het vaststellen van de visie op oefenen, inclusief een spoorboekje dat de samenhang in het oefenveld weergeeft (eerste kwartaal 2006);

3. het opzetten van een digitaal netwerk van oefenexperts als onderdeel van het steunpunt fysieke veiligheid (medio 2006);

4. de oprichting van een landelijk evaluatieteam (najaar 2006).


Het kwalitatief en kwantitatief verbeteren van het multidisciplinair opleiden en oefenen is een voortdurende prioriteit. Om daar meer zicht op te krijgen heb ik een nulmeting laten uitvoeren. Hieruit komt naar voren dat de regio’s onderling grote verschillen vertonen wat betreft de frequentie en de kwaliteit van multidisciplinaire oefeningen. In het kader van ICMS worden afspraken gemaakt die waarborgen dat de krijgsmacht structureel een grotere rol zal krijgen bij oefeningen op decentraal niveau. Op 15 maart 2005 heb ik een subsidieregeling ten behoeve van het multidisciplinair oefenen ingesteld. Tot nu toe heb ik 44 aanvragen voor 2005 en 2006 toegekend (zie bijlage 1). Het blijkt dat de regeling tegen het eind van de aanvankelijk voorziene einddatum van 1 november 2005 goed bekend is bij de doelgroep. Om de gehele doelgroep in staat te stellen gebruik te maken van de regeling heb ik de looptijd met in ieder geval 1 jaar verlengd.

De bestaande oefenfaciliteiten zijn inmiddels uitgebreid met o.a. de oefenbank en een virtuele bestuurlijke oefeninstrument namelijk de Interactive Disaster Management-trainer.

Ik heb het Landelijk Beraad Crisisbeheersing (LBCB) om advies gevraagd over de haalbaarheidsstudie naar een landelijk multidisciplinair oefencentrum (LMO) in Nederland. Het LBCB heeft positief geadviseerd. Op basis hiervan bezie ik thans of, en zo ja onder welke randvoorwaarden, een LMO in Nederland mogelijk is.

Planvorming en kwaliteitseisen

Het Landelijk Beraad Crisisbeheersing (LBCB) heeft een «State-of-the-Art-2005» opgeleverd ten behoeve van de planvorming waarin observaties, conclusies en aanbevelingen zijn opgenomen. Het betreft de verbreding van de planvorming rampenbestrijding naar crisisbeheersing en de lering die getrokken kan worden uit de ervaringen tot nog toe van de planvorming rampenbestrijding. Ik ga dit benutten bij de verdere vormgeving van de planstructuur voor crisisbeheersing.

Er bestaat operationeel en bestuurlijk overwegend consensus over noodzakelijke verbeteringen van de rol en inhoud van die plannen, zoals vermindering van de planfixatie, het doorbreken van de vaak geïsoleerde planvorming-arena, meer focus op de operationele bruikbaarheid van de vaak te dikke draaiboeken en meer aandacht voor operationele invoering, zoals instructies van betrokkenen en beoefening van de plannen.

Ik wil komen tot verbeterde kwaliteits- en prestatie-eisen die een eenduidige basis bieden om de werking van het stelsel voor crisisbeheersing in alle fasen van de veiligheidsketen te kunnen beoordelen. Daartoe wordt in de eerste helft van 2006 een «plan van aanpak integrale kwaliteitszorg crisisbeheersing» opgesteld.

Er wordt verder een start gemaakt met de actualisatie en verbreding van de kwaliteitseisen in de AMvB Kwaliteitscriteria Planvorming Rampenbestrijding.

Uitvoering Wet kwaliteitsbevordering rampenbestrijding

Op 1 juli 2004 is de Wet Kwaliteitsbevordering rampenbestrijding van kracht geworden, inclusief de AMvB Kwaliteitscriteria planvorming rampenbestrijding. Uitvloeisel hiervan is dat per 1 juli 2005 alle regionale en gemeentelijke plannen geactualiseerd en bestuurlijk vastgesteld dienen te zijn.

Hoewel de eerste formele inhoudelijke bestuurlijke rapportage pas medio 2006 is gepland, heb ik de provincies gevraagd om een stand van zaken per 1 augustus 2005. De meerjarige beleidsplannen blijken in vrijwel alle regio’s te zijn opgesteld maar nog niet overal bestuurlijk vastgesteld en vertaald in organisatie- en werkplannen voor de betrokken disciplines. Uit gegevens van de provincies blijkt dat de meeste gemeentelijke rampenplannen voldoen aan de aangescherpte kwaliteitseisen. Een achterstand is nog te constateren in de operationele procesdraaiboeken en vooral in de uitwerking en invulling van de gemeentelijke processen. De oplossing daarvoor dient gezocht te worden in meer op regionale schaal oppakken en samenwerken in pools (zie ook bovenstaande tekst over de planstructuur crisisbeheersing).

Het maken van rampbestrijdingsplannen blijft een zorgpunt. In wet- en regelgeving is voorgeschreven dat deze plannen worden gemaakt voor Voorbereiding Rampbestrijding-plichtige inrichtingen, luchthavens en kerninstallaties. Verder kan de burgemeester op eigen gezag opdracht geven om rampbestrijdingsplannen te maken voor concreet te verwachten rampsituaties. Ten aanzien van de verplichte rampbestrijdingsplannen is er nog steeds een achterstand voor de VR-inrichtingen. Hierover is intensief overleg tussen provincies en regio’s/gemeenten om deze achterstand zo effectief en efficiënt mogelijk weg te werken. De resultaten daarvan meld ik u in de eerste formele bestuurlijke rapportage in oktober 2006.

Opschaling

Het landelijke model voor bestuurlijke en operationele opschaling – de Gecoördineerde Regionale Incident Procedure (GRIP) – is geactualiseerd op basis van de ervaringen van de regio’s. Het betreft een uniform, multidisciplinair opschalingsinstrument. Zodra de Veiligheidskoepel het model bestuurlijk heeft geaccordeerd, zal ik een circulaire hierover verspreiden onder de regio’s en de andere direct betrokken instanties (gemeenten, provincies, waterschappen, departementen). Het opschalingproces moet vervolgens uiterlijk medio 2006 in elke veiligheidsregio worden geïmplementeerd.

Informatievoorziening

Op 30 juni 2005 (26 956, nr. 37) heb ik het kabinetsstandpunt naar aanleiding van het rapport van de Adviescommissie Informatievoorziening Rampenbestrijding (ACIR) naar de Tweede Kamer gestuurd. Een aantal actiepunten hieruit ten aanzien van de crisisbeheersing is in gang gezet. Zo worden de provinciale en een groot deel van de regionale coördinatiecentra op dit moment aangesloten op het OOV-net (een betrouwbaar en beveiligd datanetwerk dat communicatie mogelijk maakt, óók als de reguliere telefoon- en internetdiensten uit de lucht zijn). Naar verwachting zullen begin 2006 ook de departementale coördinatiecentra en de rest van de regionale coördinatiecentra worden aangesloten. Daarnaast zullen (in ieder geval) de provincies, maar in een later stadium waarschijnlijk ook de departementen de beschikking krijgen over een Crisis Management Systeem. Het gebruik van een gezamenlijke applicatie maakt het mogelijk om op een efficiënte en uniforme wijze berichten en informatie uit te wisselen in voorbereiding op en ten tijde van crises.

Balans

Een aantal belangrijke resultaten ten aanzien van crisisbeheersing op decentraal niveau zijn:

• gemeenschappelijke regelingen voor de samenvoeging van de besturen van de brandweer en de GHOR in een veiligheidsbestuur zijn uiterlijk vóór 1 juli 2006 getroffen.

• er zijn 44 subsidies verstrekt voor multidisciplinaire oefeningen.

5. OVERHEID EN BEDRIJFSLEVEN

Vitaal

In het Notaoverleg terrorismebestrijding van 10 oktober jl. (29 754, nr. 54) is de voortgangsrapportage Bescherming Vitale infrastructuur aan de orde geweest. Daarmee bent u geïnformeerd over bevindingen en de voornemens van het kabinet op dit belangwekkende dossier. Ofschoon de bescherming van de vitale infrastructuur redelijk op orde is, vragen de interdependenties tussen sectoren en de bescherming tegen vormen van moedwillige verstoring om een intensivering van de aandacht. De komende jaren staan in het teken van uitwerking en invoering van de extra maatregelen – sectoraal en bovensectoraal – zoals in deze rapportage zijn opgenomen. U zult jaarlijks over de voortgang daarvan een separate rapportage blijven ontvangen.


Ten behoeve van alle sectoren zal het komende halfjaar onder andere geïnvesteerd worden in een betere bescherming van de vitale infrastructuren tegen moedwillige verstoring. In de rapportage is op dit een punt een intensivering aangekondigd. Een verdiepende gesprekkenronde met sleutelpartijen binnen de overheid en het vitale bedrijfsleven is in september 2005 afgerond. Daaruit is gebleken dat er ter versterking van de relatie tussen overheid en bedrijfsleven op drie punten een dringende wederzijdse behoefte bestaat. Ten eerste is er behoefte aan permanente uitwisseling van informatie over dreigingen en risico’s. Ten tweede is er behoefte aan «advisering op maat» over de effectiviteit van preventieve maatregelen (op alle beveiligingscomponenten: fysiek, personeel en organisatie en ICT) en ten derde is er behoefte aan duidelijke afspraken tussen de overheid en de vitale bedrijven ter voorbereiding op grootschalige verstoringen. Het doel is nog dit jaar een multidisciplinaire task force security vitale infrastructuren de opdracht te geven een en ander op zo kort mogelijke termijn helpen te realiseren.

Een tweede prioriteit voor de komende periode is de zogenoemde gebiedsgerichte benadering. Doel is handen en voeten te geven aan wat het betekent om als vitaal aangemerkt te zijn in relatie tot de decentrale overheden, hulpverlenings- en inlichtingendiensten en in de (afhankelijke) relatie tot diensten en producten van andere vitale infrastructuren.

Balans

Een aantal belangrijke resultaten met betrekking tot overheid en bedrijfsleven zijn

• de eerste integrale analyse van de bescherming van de Nederlandse vitale infrastructuur is tot stand gebracht.

• het Strategisch Overleg Vitale Infrastructuur (SOVI) tussen overheid en bedrijfsleven is ingesteld.

6. RISICO- EN CRISISCOMMUNICATIE


Per 1 mei 2005 is het Expertisecentrum voor Risicoen Crisiscommunicatie (ERC) formeel gestart. Het ERC heeft zowel een landelijke als een regionale/lokale focus. Doel is de risico- en crisiscommunicatie op alle bestuurlijke niveaus te verbeteren.

Op regionaal niveau zijn knelpunten en behoeftes op het gebied van de risico- en crisiscommunicatie in kaart gebracht. Mede op basis hiervan wordt een opleiding- en oefentraject risico- en crisiscommunicatie voor 2006 ontworpen. Vooruitlopend daarop zijn diverse workshops op regionaal en provinciaal niveau gegeven en heeft het ERC actief deelgenomen aan zowel regionale oefeningen als aan oefeningen van het bedrijfsleven. Verder is de website www.risicoencrisis.nl ontwikkeld. Via deze website (en bijbehorende tweewekelijkse nieuwsbrief) worden professionals in het veld geïnformeerd over nieuwe ontwikkelingen en kan men onderling informatie als communicatieplannen, ervaringen etc. uitwisselen. De website is een specifieke doelgroepsite en wordt goed bezocht.

Op landelijk niveau is onder verantwoordelijkheid van het ERC ook in 2005 de landelijke campagne Voorlichting bij rampen uitgevoerd. Tevens is een start gemaakt met de herziening van deze campagne voor het jaar 2006.


Zowel in de preparatie als de respons heeft het ERC de verantwoordelijkheid voor het Nationaal Voorlichtingscentrum (NVC). Deelname aan de oefeningen Bonfire en NSOn hebben diverse verbeterpunten opgeleverd, welke in nauwe samenspraak met de Voorlichtingsraad ter hand worden genomen. Zo is een piketregeling ingesteld, een pool van webredacteuren gevormd, een aanzet gemaakt voor een pool van media-analisten en is de voorlichterspool herzien.


Op landelijk niveau is in nauwe samenwerking met de Rijksvoorlichtingsdienst (Postbus 51) één landelijk nummer voor publieksinformatie tijdens crises ingericht: 0800–1351. Dit nummer is 24 uur per dag, zeven dagen in de week inzetbaar. Op termijn wordt ook verwanteninformatie achter dit loket geplaatst (één loket). Ook lokale overheden kunnen dit nummer – met de bijbehorende personele capaciteit – inzetten ingeval van een ramp of crisis. Begin oktober 2005 zijn de regio’s, gemeenten en diensten hierover geïnformeerd. Tevens is ter verdere ondersteuning van de publieksvoorlichting de crisissite www.crisis.nl ontwikkeld. Deze (slapende) site kan bij een crisis binnen één uur worden ingezet en dient als de centrale site van de rijksoverheid bij crises. De site is maximaal gehost (24 000 pageviews per seconde). Ook andere overheden kunnen tijdens een crisis van deze site gebruik maken. Hiertoe worden op regionaal niveau webredacteuren getraind. Bij het incident in de Westerschelde (vastgelopen containerschip Hulst) is de site actief ingezet. Als de site www.crisis.nl wordt ingezet, is het voor bezoekers mogelijk zich te abonneren op het systeem van SMS-alert. Via dit systeem kunnen abonnees (waar dan ook in Nederland) worden geïnformeerd over de voortgang in de rampbestrijding of andere belangrijke zaken die met de ramp te maken hebben. Het ERC is diverse malen actief bij crises of incidenten ingezet, zowel op lokaal als nationaal niveau.


Op dit moment ontwikkelt het ERC in samenwerking met de Rijksvoorlichtingsdienst en het project Samenwerking Uitvoering Rijksbrede Communicatie (SURC) een aparte publiekssite. Eén en ander geschiedt in samenspraak met de departementale directies Voorlichting (i.c. de Commissie Nieuwe Media). De site dient als portal voor de burger die meer informatie wil hebben over mogelijke crises in Nederland. De content wordt door het ERC geleverd en de verantwoordelijke departementen voeren een inhoudelijke controle uit. Vanuit de éénloket-gedachte wordt de site gepositioneerd achter de website van postbus 51.


Op 5 oktober 2005 is de proef cellbroadcast officieel in Zoetermeer gestart. Met dit systeem kunnen burgers (die zich daarvoor abonneren) via hun mobiele telefoon worden gealarmeerd dat in hun directe leefomgeving een ramp heeft plaatsgevonden. Cellbroadcast is locatiespecifiek (gekoppeld aan zendmasten) en daarmee bij uitstek geschikt voor lokale alarmering en informatievoorziening. De proef met dit, ook voor Europa nieuwe systeem, wordt eind 2005 uitgebreid met de regio Zeeland; begin 2006 wordt bezien of de gemeente Amsterdam kan en wil deelnemen. De totale proef duurt twee jaar.


In nauwe samenwerking met de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb) is onderzoek gedaan naar de beleving van burgers op het domein van terrorisme (TK 2005–2006, 29 754, nr. 31). Mede op basis van dit onderzoek hebben NCTb en ERC gezamenlijk de communicatiestrategie van de publiekscampagne Terrorisme vormgegeven. Begin 2006 begint de publiekscampagne. Tevens is in samenwerking met de ministeries van LNV en VWS in oktober 2005 een publieksonderzoek naar de beleving inzake vogelpest uitgevoerd.

Balans

Een aantal belangrijke resultaten op het terrein van risico- en crisiscommunicatie zijn:

• het Expertisecentrum voor Risico- en Crisiscommunicatie is operationeel.

• de websites www.risicoencrisis.nl en www.crisis.nl zijn ontwikkeld.

• de proef cell broadcast is gestart.

7. VERSTERKING EUROPEES CRISISBEHEERSINGSBELEID


Crisisbeheersing maakt een essentieel deel uit van het Haags Programma, het onder Nederlands voorzitterschap door de Europese Raad aangenomen meerjarenprogramma gericht op het versterken van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid in de Europese Unie. Voor enkele onderdelen van Europese crisisbeheersing die een relatie hebben met Europees terrorismebeleid, verwijs ik naar de brief van de minister van Justitie van 28 september 2005 (TK 2005–2006; 23 490, nr. 391).

Zoals bekend dienen voor 1 juli 2006 concrete maatregelen op het terrein van crisisbeheersing, waarbij politie, vitale infrastructuur en civiele bescherming een belangrijke rol spelen, te zijn uitgewerkt. Het Britse voorzitterschap heeft samen met Luxemburg, Oostenrijk en Nederland een raamwerk hiervoor opgesteld. Dit raamwerk, dat ook door de counter terrorisme coördinator Gijs de Vries is omarmd, is in december 2005 door het Britse voorzitterschap en de CTC gezamenlijk aan de JBZ Raad aangeboden en goedgekeurd.


Nederland acht het van belang dat er samenhang bestaat tussen de implementatie van het Haags Programma en het Europees beleid ten aanzien van Civil Protection. Het raamwerk biedt hiervoor voldoende ruimte. Aan alle voor Nederland belangrijke speerpunten is in het huidige raamwerk voldaan. Het gaat uit van bestaande structuren en het voorkomen van duplicaties. Thans wordt voorgesteld uit te gaan van het opzetten van een ad hoc adviserend orgaan, dat advies geeft aan de Raad over te nemen beslissingen op het terrein van internationale crisis, zoals een grieppandemie. Dit orgaan zal informatie krijgen van bestaande en betrokken sectoren binnen Raad, Commissie en de lidstaten. Daarnaast zal onder Oostenrijks voorzitterschap een overkoepelend en intersectoraal operationeel handboek worden uitgewerkt. Ook zal vanaf het voorjaar 2005 het onderwerp crisisbeheersing een vast agendapunt zijn bij de Taskforce Chiefs of Police en de DG’s civil protection. De bestaande operationele handboeken op het terrein van EU politie en civil protection zullen worden gelinked aan het overkoepelende handboek.


Nederland zal zich blijven richten op de volgende EU-speerpunten:

• Het bevorderen van de uitwerking van maatregelen op het terrein van crisisbeheersing op EU-niveau met oog op de grote strategische lijn (geen gedetailleerde crisismaatregelen);

• Het bevorderen van de uitwerking van het voorstel van de Europese Commissie voor de oprichting van een Europees Crisis Centrum;

• De Europese Commissie heeft per 1-1-2006 een «intern» alerteringssysteem (ARGUS) in gebruik genomen. Hiermee zijn alle binnen de Commissie bestaande alerteringssystemen met elkaar verbonden;

• Het actief leveren van een bijdrage aan het grensoverschrijdende Europese Programma Bescherming Vitale Infrastructuur. De Commissie heeft onlangs een Groenboek hierover gepubliceerd. U wordt hierover apart geïnformeerd;

• Het stimuleren van preventieve maatregelen op EU-niveau naar aanleiding van de resultaten van het Europese actieprogramma civil protection;

• De uitvoering van het tijdens het Nederlands EU-voorzitterschap aangenomen Solidariteitsprogramma met betrekking tot wederzijdse bijstand in geval van terroristische aanslagen en crises is gewaarborgd doordat het programma geheel is opgenomen in het EU actieplan terrorisme. Op 12 september heeft het NCTB u hierover de actuele stand van zaken schriftelijk aangeboden;

• Het bevorderen van de stroomlijning van de afspraken tussen EU-VN over internationale bijstand en het stimuleren van een soortgelijk arrangement tussen de EU en de NAVO.


Oefenen maakt onderdeel uit van de versterking van het Europees crisisbeheersingsbeleid. In 2005 heeft de Europese Unie een tweetal oefeningen laten organiseren met betrekking tot infectieziektebestrijding, waaraan alle lidstaten hebben deelgenomen. Een uitbraak van pokken en een internationale grieppandemie werden beoefend. De Europese Commissie beoogde met deze oefeningen de rol van de Unie en overige Europese instanties en de communicatie tussen deze partijen ten tijde van dergelijke crises te beoordelen. Daarnaast wilde de Commissie hiermee ook de nationale draaiboeken testen alsmede de onderlinge afstemming en uitvoerbaarheid van de nationale plannen van de afzonderlijke lidstaten verbeteren. In Nederland deden negen ministeries mee aan de oefening grieppandemie; aan de pokkenoefening werd op kleinere schaal deelgenomen.

Balans

Een aantal belangrijke resultaten op het terrein van versterking Europees crisisbeheersingsbeleid zijn:

• het raamwerk voor de concrete maatregelen op het terrein van crisisbeheersing is opgesteld.

• twee crisisoefeningen binnen EU-verband (uitbraak pokken en grieppandemie) zijn gehouden.

8. SLOT


Ik ben van mening dat op een aantal dossiers goede stappen zijn gezet ter verbetering en versterking van de effectiviteit en de kwaliteit van het crisisbeheersingsstelsel; op sommige dossiers moeten nog (extra) inspanningen worden geleverd. Speerpunten daarbij zijn een eenvoudig stelsel met heldere verantwoordelijkheden, kwaliteitseisen en oefenen. Werken aan een betere voorbereiding op toekomstige crises vergt een permanente inspanning van bestuurlijk en operationeel betrokken organisaties op alle niveaus.


De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes

1  Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.