Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Heroriëntatie ondersteuning fracties

30 465 BRIEF VAN HET PRESIDIUM

Vergaderjaar 2005-2006

Nr. 1

Aan de leden


Den Haag, 8 februari 2006


Hierbij treft u aan het rapport van de werkgroep Heroriëntatie ondersteuning fracties.1


De werkgroep Heroriëntatie ondersteuning fracties is door het Presidium ingesteld op 29 juni 2005 nadat tijdens de behandeling van de Raming van de Kamer voor 2006 bleek dat onduidelijkheid bestond over de uitleg die gegeven kon worden aan de tijdens de behandeling van de Raming voor 2005 aangenomen motie-Rambocus (Kamerstuk 29 527, nr. 21). Het Presidium heeft de werkgroep als opdracht meegegeven: te onderzoeken of de Regeling financiële ondersteuning fracties in voldoende mate voorziet in de behoefte aan politieke ondersteuning en om, indien dat niet het geval is, te onderzoeken of een reallocatie van de bestaande middelen mogelijk is dan wel een flexibeler aanwending van de fractiebudgetten, om alsnog in die behoefte te voorzien en, indien mogelijk, voorstellen te doen die leiden tot een ook voor de langere termijn houdbare organisatie van de ondersteuning van de Kamer. Het Presidium heeft deze opdracht korte tijd later uitgebreid nadat in het Presidium was geconstateerd dat gelijktijdige uitvoering van de hierboven genoemde motie-Rambocus (die om een reallocatie van middelen vraagt ten gunste van de fractieondersteuning) en van de motie-Van Hijum (Kamerstuk 29 283, nr. 17) (ingediend tijdens de behandeling van het rapport van de Tijdelijke commissie infrastructuurprojecten en die o.a. vraagt om de oprichting van een parlementair kenniscentrum) niet goed mogelijk leek. Het Presidium heeft de werkgroep daarom verzocht om ook dit mogelijke probleem te onderzoeken en een mogelijke oplossing in zijn advies te betrekken.


De werkgroep Heroriëntatie ondersteuning fracties heeft op 7 februari 2006 zijn rapport aangeboden aan het Presidium. Het Presidium heeft in zijn vergadering van 8 februari 2006 ingestemd met het rapport en de daarin vervatte aanbevelingen. Het Presidium deelt de conclusie van de werkgroep dat deze erin geslaagd is beide moties evenwichtig met elkaar te combineren, zelfs zonder dat het Kamerbudget in zijn geheel daarvoor vergroot hoeft te worden. Het rapport betreft niet alleen de ondersteuning van de fracties, maar ook het onderzoeksbudget van de Kamer en de grote projectenregeling.


Het Presidium is voornemens om na de behandeling van de Voorjaarsnota 2006, bij gelegenheid waarvan de budgettaire verschuivingen binnen de bestaande Raming van de Kamer moeten worden aangebracht, over te gaan tot formalisering van de aanbevelingen in dit rapport.


De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
F. W. Weisglas

De Griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal,
J. E. Biesheuvel-Vermeijden


Den Haag, 6 februari 2006


Aan het Presidium


Het is mij een genoegen u hierbij het rapport van de werkgroep Heroriëntatie ondersteuning fracties aan te bieden.


De door u ingestelde werkgroep heeft zijn werkzaamheden op 7 september jl. aangevangen. Gedurende de werkzaamheden hebt u de opdracht van de werkgroep aangevuld, te weten met het uitbrengen van een advies over de uitvoering van de motie-Van Hijum in combinatie met de motie-Rambocus. De werkgroep meent erin geslaagd te zijn beide moties (waarvan de eerste lijkt te nopen tot uitbreiding van de Kamerorganisatie en de tweede juist tot beperking daarvan) evenwichtig met elkaar te combineren, zelfs zonder dat het Kamerbudget in zijn geheel daarvoor vergroot hoeft te worden.

Strikt genomen betreft het rapport daarom niet meer alleen de ondersteuning van de fracties, maar ook het onderzoeksbudget en de grote projectenregeling.


Uiteraard is de werkgroep of ondergetekende steeds bereid om een mondelinge toelichting op het rapport te geven dan wel op andere wijze vragen te beantwoorden.


Met vriendelijke groet,


Jan ten Hoopen,

voorzitter

RAPPORT VAN DE WERKGROEP HERORIËNTATIE ONDERSTEUNING FRACTIES

Den Haag, 6 februari 2006

Inhoudsopgave

1. Samenstelling en opdracht van de werkgroep

2. Werkwijze

3. Bevindingen

a. Enkele cijfermatige gegevens over de huidige Kamer- en fractiebudgetten

b. Vergelijking met andere parlementen

c. Knelpunten in de huidige fractie-ondersteuning

d. Andere knelpunten

4. Aanbevelingen

a. Meer middelen voor de fracties

b. Dekking door reallocatie

c. Aanpassing grote projectenregeling en onderzoeksbudget

d. Evaluatie

Bijlagen

1. Samenstelling en opdracht van de werkgroep

Op 29 juni 2005 besloot het Presidium een werkgroep in te stellen, nadat tijdens de behandeling van de Raming van de Kamer voor 2006 bleek dat onduidelijkheid bestond over de uitleg die gegeven kon worden aan de tijdens de behandeling van de Raming voor 2005 aangenomen motie-Rambocus2 en dus over de uitvoering van die motie. Het dictum van deze motie luidt «dat bij de voorbereiding van de Raming voor 2006 en daarna binnen het beschikbare volume voorrang gegeven moet worden aan fractieondersteuning boven ambtelijke ondersteuning».


De werkgroep zou volgens het Presidium moeten bestaan uit één lid uit elk van de fracties van CDA, PvdA en VVD, twee leden uit fracties van SP, LPF, D66 en GroenLinks gezamenlijk, één lid namens de overige fracties gezamenlijk en één vertegenwoordiger van de ambtelijk fractiesecretarissen. Het Presidium benoemde de eerste Ondervoorzitter van de Kamer, het lid Ten Hoopen, tot voorzitter.

Bij het begin van zijn werkzaamheden, op 7 september 2005, bestond de werkgroep uit de leden Van Beek (VVD), Van Bochove (CDA), Eerdmans (LPF), Hamer (PvdA), Ten Hoopen (CDA, voorzitter), Van der Staaij (SGP) en de heer Westerhoff (PvdA, namens de ambtelijk fractiesecretarissen). De werkgroep werd ambtelijk bijgestaan door de heer Bakker (directeur Bedrijfsvoering), de heer Van Dijk (plv. griffier, optredend als griffier van de werkgroep) en de heer Hatzmann (hoofd FEZ). Deze samenstelling is ongewijzigd gebleven.

De werkgroep besloot zichzelf de «werkgroep heroriëntatie ondersteuning fracties» (WHOF) te noemen.


De werkgroep kreeg als opdracht mee «te onderzoeken of de Regeling financiële ondersteuning fracties in voldoende mate voorziet in de behoefte aan politieke ondersteuning en om, indien dat niet het geval is, te onderzoeken of een reallocatie van de bestaande middelen mogelijk is dan wel een flexibeler aanwending van de fractiebudgetten, om alsnog in die behoefte te voorzien en, indien mogelijk, voorstellen te doen die leiden tot een ook voor de langere termijn houdbare organisatie van de ondersteuning van de Kamer». De werkgroep zou vóór 1 januari 2006 rapport moeten uitbrengen.


Kort na het begin van zijn werkzaamheden werd de opdracht van de werkgroep uitgebreid.

In het Presidium was namelijk geconstateerd dat gelijktijdige uitvoering van de motie-Rambocus (die om middelenreallocatie vraagt ten gunste van de fractieondersteuning) en van de motie-Van Hijum3 (ingediend tijdens de behandeling van het rapport van de Tijdelijke commissie infrastructuurprojecten en die o.a. vraagt om de oprichting van een parlementair kenniscentrum) niet goed mogelijk leek. De werkgroep werd verzocht om dit mogelijke probleem te onderzoeken en een mogelijke oplossing in zijn advies te betrekken.

2. Werkwijze

Totstandkoming en inhoud huidige fractiekostenregeling

Uiteraard heeft de werkgroep zich eerst georiënteerd op de totstandkoming en inhoud van de huidige fractiekostenregeling. Deze is gebaseerd op aanbevelingen van een voorganger van de werkgroep, te weten de «werkgroep politieke en persoonlijke ondersteuning leden» (onder voorzitterschap van het lid Doelman-Pel), die in 1996 een min of meer gelijkluidende opdracht had4. De werkgroep kwam met een nieuwe formule voor de berekening van het fractiebudget. Dit budget is een lumpsum, dus zonder geoormerkte kostenelementen. Er is echter geen totale bestedingsvrijheid; zo mag het fractiebudget niet worden aangewend om onkosten te vergoeden aan leden, omdat daarin wordt voorzien door de wet en ook alleen mág worden voorzien bij wet. Door koppeling van enkele elementen in de formule aan het BBRA (de salarissystematiek voor rijksambtenaren) is prijs- en looncompensatie min of meer verzekerd.

Belangrijkste gevolgen voor de fracties waren: de integratie van het (oude) fractiebudget met de tot dan toe aan de individuele leden uitbetaalde gelden voor persoonlijk medewerkers en een fors gestegen totaal aan middelen.

De werkgroep heeft géén aanbevelingen gedaan met betrekking tot de ambtelijke organisatie maar wél verwoord dat zij het niet mogelijk achtte dat de ambtelijke organisatie de toegenomen behoefte aan ondersteuning, zoals veroorzaakt door bovengenoemde factoren, zou kunnen absorberen. Ook zag de werkgroep geen heil in een betere of verdere afbakening tussen «fractiedomein» en «ambtelijk domein». De inrichting van een efficiënte ambtelijke dienst was in de ogen van de werkgroep een permanente opgave, los van de fractieondersteuning.

De werkgroep Doelman-Pel had een vooruitziende blik. De aanbeveling om de fractiebudgetten te verhogen stoelde hij met name op de bevinding dat de werkdruk van Kamerleden enorm was toegenomen door met name de toename van het aantal gesprekspartners en informatiebronnen en van de behoefte aan eigenstandig onderzoek. De werkgroep voorspelde een verdere toename daarvan en beval daarom ook periodieke herijking van de fractiekostenregeling aan. Thans, tien jaar later, vindt die herijking daadwerkelijk plaats.


De fractiebudgetten komen op dit moment tot stand op basis van de volgende formule5:

a. per zetel een bedrag gelijk aan de jaarlijkse loonsom van een rijksambtenaar met bezoldiging volgens de hoogste regel van schaal 7 van het BBRA, vermeerderd met werkgeverslasten;

b. per zetel een bedrag gelijk aan drievierde van de jaarlijkse loonsom van een rijksambtenaar met een bezoldiging volgens regel 9 van schaal 12 BBRA, vermeerderd met werkgeverslasten;

c. per fractie een bedrag dat overeenkomt met 3,5% van het totale bedrag dat haar op grond van a en b toekomt (component voor secundaire personeelsvoorzieningen);

d. per fractie een bedrag dat overeenkomt met 10% van het totale bedrag dat haar op grond van a, b en c toekomt (component materieel);

e. per zetel een nominaal bedrag van € 2 527 ter bestrijding van overige uitgaven zoals deskundigheidsbevordering en internationale activiteiten.


Met het oog op schaalnadelen resp. -voordelen wordt bij de toepassing van deze formule het zetelaantal van kleinere fracties iets verhoogd resp. van grotere fracties iets verlaagd.

De fractiekostenregeling kent enkele bestedingsregels. Zo mogen vanuit het fractiebudget géén betalingen worden verricht aan individuele Kamerleden als vergoeding van onkosten waarvoor zij reeds uit hoofde van de wet een vergoeding ontvangen, aan politieke partijen en aan kantoorruimte buiten de Kamergebouwen. Ook giften zijn niet toegestaan.


In paragraaf 3a wil de werkgroep ingaan op de feitelijke omvang van de fractiebudgetten en de ontwikkeling daarin.

Inventarisatie van door de fracties ervaren knelpunten

Direct na aanvang van zijn werkzaamheden heeft de werkgroep een aantal vragen6 voorgelegd aan de fracties, om inzicht te krijgen in de mate van tevredenheid dan wel ontevredenheid over de huidige regeling van de fractieondersteuning en in wensen daaromtrent en om suggesties te vernemen.

Inventarisatie van bevindingen van accountantscontrole

De werkgroep heeft de dienst FEZ verzocht een overzicht op te stellen van «jurisprudentie» over de uitvoering van de Regeling financiële ondersteuning fracties. Deze jurisprudentie wordt gevormd door de opmerkingen van de accountantsdienst van het ministerie van BZK over feitelijke uitgaven van fracties en de besluiten die het Presidium van de Kamer vervolgens neemt op basis van de adviezen van deze dienst. Het Presidium bepaalt of een bepaalde uitgave verenigbaar is met de regeling. Indien gedane uitgaven niet verenigbaar met de regeling blijken, kunnen zij leiden tot een zogenoemd negatief vermogen van de, in veel gevallen, stichting ondersteuning van de betreffende fractie.

Vergelijking met andere parlementen

De werkgroep heeft ook een vergelijkend onderzoek uitgevoerd naar de geldstromen in andere parlementen, te weten van België, Denemarken, Duitsland, Israël en Schotland, met als doel om de omvang van fractiebudgetten, de bestedingsdoelen, de verhouding tussen materiële versus personele uitgaven, de omvang en aard van centraal geleverde voorzieningen én de omvang en aard van de voor persoonlijke rekening gelaten voorzieningen te vergelijken.

Gesprek met Van Hijum c.s.

De werkgroep heeft op 23 november 2005 een gesprek gevoerd met de indiener en enkele mede-ondertekenaars van de eerdergenoemde motie-Van Hijum, om van hen te vernemen welke concrete gedachten bij hen leefden over de vormgeving aan een parlementair kenniscentrum.

3. Bevindingen

a. Enkele cijfermatige gegevens over de huidige Kamer- en fractiebudgetten

Omdat de werkgroep in het navolgende regelmatig naar deze gegevens zal verwijzen, presenteert hij in enkele tabellen enige financiële gegevens.

Tabel 1: Fractiebudgetten1 in de periode 2000–2005 (in euro’s)

  2000 2001 2002* 2003* 2004 2005
CDA 2 725 266 2 980 642 4 086 000 4 827 000 4 852 000 4 900 000
PvdA 4 228 862 4 625 134 4 797 000 4 745 000 4 631 000 4 677 000
VVD 3 571 039 3 905 669 4 051 000 3 529 000 3 051 539 3 006 643
SP 563 848 616 685 889 000 1 043 000 942 055 940 444
GroenLinks 1 033 722 1 130 588 1 173 000 1 173 000 956 000 947 000
LPF 627 895 2 395 806 1 071 000 884 732
D66 1 315 646 1 438 931 1 493 000 1 120 000 726 000 724 000
ChristenUnie 719 465 671 000 595 000 451 000 446 000
SGP 375 899 411 123 427 000 375 000 331 000 335 000
Nawijn 62 268
Wilders 36 461 111 357
Lazrak 105 945 117 556
TOTAAL 14 426 727 15 828 237 18 496 200 20 132 806 17 154 000 17 147 284

* Verkiezingsjaren, die altijd tot hogere uitgaven leiden vanwege de zgn. garantieregeling.

1 Bestaande uit het budget o.g.v. de fractiekostenregeling, exclusief eventuele toevoegingen uit reserves of andere geldstromen, van de ultimo 2005 in de Kamer bestaande fracties.


Ultimo 2004 beschikte meer dan de helft van de fracties over een (uit niet uitgegeven middelen opgebouwde) reserve. Hoewel de fractiekostenregeling voorziet in een afbouwregeling voor eventueel overtollig (althans niet langer te bekostigen) personeel na verkiezingen, vinden veel fracties het veilig een reserve aan te leggen voor met name een sociale regeling.

Tabel 2: Totaal aan gereserveerd fractiebudget in de periode 2000–2004 (in euro’s)

2000 3 316 544
2001 3 503 818
2002 4 955 319
2003 6 831 729
2004 4 067 291

In tabel 3 worden de personeelsuitgaven van enerzijds het ambtelijke apparaat van de Kamer en anderzijds het fractie-apparaat vergeleken, zowel in absolute als in relatieve waarden, dit laatste vooral omdat niet zelden gewag gemaakt wordt van een «onbeteugelde» groei van het ambtelijk apparaat in vergelijking met het fractie-apparaat.

Tabel 3: P-uitgaven van Kamer en fracties1 over de periode 1994–2004 (in euro’s)

  p-uitgaven ambtenaren p-uitgaven fracties Geïndexeerde p-uitgaven ambtenaren Geïndexeerde p-uitgaven fracties
1994 16 751 573 10 306 259 100 100
1995 17 875 634 9 082 624 106,7 88,1
1996 18 235 429 10 078 643 108,9 97,8
1997 19 537 552 9 923 028 116,6 96,3
1998 20 337 133 13 736 150 121,4 133,3
1999 22 250 378 12 977 894 132,8 125,9
2000 23 516 907 14 171 447 140,4 137,5
2001 24 636 618 15 147 576 147,1 147,0
2002 26 826 670 19 866 455 160,1 192,8
2003 28 784 213 18 783 365 171,8 182,3
2004 31 161 549 18 520 658 186,0 179,7

1 Exclusief de schadeloosstelling en vergoedingen van de Kamerleden.


De werkgroep meent dat uit tabel 3 valt op te maken dat er géén sprake is van een over de jaren heen «uit de pas» lopen van de ambtelijke personeelsuitgaven in vergelijking met die van de fracties. Daar komt bij dat er zich met name de laatste jaren enkele ontwikkelingen hebben voorgedaan die automatisch tot een personeelsaanwas aan ambtelijke zijde hebben geleid, te weten de ingebruikname van nieuwe gebouwen.

b. Vergelijking met andere parlementen

De door de werkgroep benaderde parlementen hebben, op één uitzondering na, alle gereageerd op de vrij uitvoerige vragenlijst. Helaas bleken de gegevens uiteindelijk moeilijk met elkaar vergelijkbaar, door grote verschillen in systematiek of door simpelweg ontbreken van gegevens. De werkgroep heeft uit de beschikbare gegevens echter wel de conclusie kunnen trekken dat het Nederlandse parlement zeker niet tot de duurdere parlementen behoort7. De fractiebudgetten zijn in alle onderzochte parlementen rechtevenredig aan het zeteltal. Net als in Nederland kent verder alleen Denemarken een systeem waarin de kleinere fracties een (kleine) extra tegemoetkoming ontvangen. Ook is het de werkgroep opgevallen dat grosso modo in alle parlementen dezelfde bestedingsregels gelden.

c. Knelpunten in de huidige fractieondersteuning

De werkgroep heeft uit het onderzoek naar de beleving van knelpunten in de fractieonder-steuning twee clusters van knelpunten gedestilleerd:


1. knelpunten die samenhangen met de gevolgen van automatisering.

Door vrijwel alle fracties die op de vragen gereageerd hebben wordt de enorme toename van het emailverkeer als zeer belastend ervaren. Ook het onderhouden van een eigen website (zowel van individuele leden als van fracties) wordt als een belastende nieuwe taak gezien.

Het «papierarme parlement» blijkt eveneens te leiden tot een toename van de werkdruk: documenten moeten in tegenstelling tot voorheen zelf worden uitgeprint of besteld.


2. knelpunten die samenhangen met het niveau of de kwaliteit van de ondersteuning.

Het huidige fractiebudget wordt door veel fracties niet als toereikend beschouwd voor de bekostiging van senioriteit in de stafopbouw, van aantrekkelijke secundaire arbeidsvoorwaarden (zoals een opleidingsbudget) en van incidentele bijstand (op fractieniveau) door externe deskundigen.


Door verschillende fracties is ook naar voren gebracht dat er sprake lijkt van doorberekening van bepaalde materiële kosten aan fracties, waar die voorheen niet plaatsvond, zoals kopiëerkosten en de kosten van ontvangsten van bezoekers. De werkgroep heeft deze klacht onderzocht, maar is tot de conclusie gekomen dat er per saldo geen verhoogde doorbelasting in de richting van de fracties heeft plaatsgevonden, er is zelfs eerder sprake van een afname8.

d. Andere knelpunten

De fractiekostenregeling als zodanig?

De werkgroep heeft weliswaar enkele klachten ontvangen over vermeende rigiditeit aan de ene kant en onduidelijkheid aan de andere kant van de fractiekostenregeling als zodanig, maar afgaande op de opmerkingen van de accountants en de beslissingen die vervolgens door het Presidium zijn genomen, is er eigenlijk geen sprake van knelpunten. Ter voorkoming van de eerdergenoemde negatieve vermogens is het raadzaam dat fracties vooraf een voorgenomen uitgave toetsen op toelaatbaarheid. De dienst FEZ beschikt over voldoende «jurisprudentie» om daarin te adviseren. Hetzelfde geldt voor voorgenomen toevoegingen aan de fractiereserve.

De verhouding tussen de motie-Rambocus en de motie-Van Hijum

De werkgroep heeft de conclusie getrokken, na het gesprek met het lid Van Hijum en anderen, dat de uitvoering van de gelijknamige motie niet noodzakelijkerwijs hoeft te leiden tot een (nieuwe) permanente ambtelijke dienst, maar ook kan worden uitgevoerd door een permanente financiële voorziening, in het leven te roepen, die ertoe leidt dat, zo gauw de Kamer heeft besloten om een bepaald onderwerp als «groot project» te beschouwen zoals bedoeld in de gelijknamige regeling, de door de betrokken Kamercommissie nodig geachte deskundigheid voor de begeleiding van de parlementaire controle onvoorwaardelijk ter beschikking komt en gefinancierd wordt. Tevens heeft de werkgroep geconcludeerd dat de motie van Hijum ook de noodzaak tot uitbreiding van het onderzoeksbudget heeft aangegeven. Ook hiertoe doet de werkgroep voorstellen.

4. Aanbevelingen

a. Meer middelen voor de fracties

De werkgroep, op het lid Eerdmans (LPF) na, vindt de door de fracties naar voren gebrachte knelpunten (zie par. 3c) reëel en acht het noodzakelijk om de fracties van aanvullende middelen te voorzien. Deze knelpunten kunnen immers ondere andere worden opgelost door kwantitatieve en kwalitatieve uitbreiding van de fractiestaven. De werkgroep hecht er echter aan erop te wijzen dat een uitbreiding van de middelen niet de énige oplossing is. (Enkele fracties hebben zelfs aangegeven dat zij een middelentoename onnodig vinden om de knelpunten te lijf te gaan9 ). Zo zijn er tal van projecten in het kader van het e-parlementprogramma die juist bedoeld zijn om de gevolgen van de automatisering voor de werkwijze én werkdruk op te vangen10. Daarnaast zijn fracties natuurlijk gehouden om de eigen werkwijze voortdurend te onderzoeken op efficiëntie11. Ook samenwerking tussen fracties kan kostenbesparend zijn12. Tenslotte is het verstandig om altijd eerst na te gaan welke voorzieningen de ambtelijke organisatie reeds biedt, met name op het gebied van de informatieverzameling enontsluiting. De indruk bestaat dat niet alle fracties deze weg volgen, zodat op verschillende momenten door tal van medewerkers gezocht wordt naar dézelfde informatie.


De werkgroep wil het lump-sumkarakter van de fractiekostenregeling handhaven, dat wil zeggen: geen oormerking toepassen. Dit leidt tot de grootst mogelijke vrijheid (afgezien van de reeds genoemde niet toegestane bestedingsdoelen) voor een fractie om haar eigen ondersteuning naar eigen inzicht in te richten. In de fracties wordt ook verschillend gedacht over de aard en omvang van de huidige knelpunten. Om die reden zou het ook vreemd zijn om de bepleite extra middelen te oormerken.

De werkgroep heeft daarom gezocht naar een algemene wijziging in de, overigens zeer hanteerbaar gebleken formule die aan het fractiebudget ten grondslag ligt. Die formule kent feitelijk slechts drie variabelen: het zeteltal en de BBRA-schalen13 7 en 12. De werkgroep stelt voor om, voor de toepassing van de formule, die maxima te verhogen met twee zgn. periodieken. Dit betekent een naar zijn mening heel behoorlijk middelenaccrès voor alle fracties. Het lid Eerdmans (LPF) steunt dit voorstel niet.

b. Dekking door reallocatie

De werkgroep heeft niet op voorhand gezocht naar mogelijkheden om te besparen op de kosten van de ambtelijke organisatie en wel om verschillende redenen. Op de eerste plaats is het een onjuiste, althans niet de enig mogelijke uitleg van de motie-Rambocus om de dekking voor de versterking van de fractieondersteuning te zoeken in die besparing. Op de tweede plaats heeft de werkgroep tijdens de behandeling van de raming van afgelopen jaren geen enkele concrete suggestie gehoord voor dergelijke besparingen. Op de derde plaats zou het ook een ongerijmdheid zijn om de fractiemiddelen te verhogen ten koste van het budget van de ambtelijke organisatie gelet op de knelpunten die de fracties hebben aangevoerd. De Tweede Kamer als instituut kampt met dezelfde problemen als de fracties als het gaat om de toename van het emailverkeer en het onderhouden van systemen en websites. Voor die problemen zoekt de ambtelijke organisatie oplossingen, waarmee ook de fracties intern hun voordeel kunnen doen. Automatisering leidt niet alleen tot incidentele ontwikkelkosten, maar in veel gevallen ook tot structurele kosten van onderhoud en exploitatie14.


De werkgroep heeft geconstateerd dat elders in het Kamerbudget sprake is van een zgn. structurele onderuitputting, te weten bij de post schadeloosstelling en reis- en onkosten van de Leden. Deze wordt veroorzaakt door een structureel te hoge raming van de kosten van de zogenoemde bruteringsoperatie15. Vanuit  deze post16 kan, zonder enige consequentie, de benodigde € 1,4 miljoen gerealloceerd worden naar de bijdrage in de fractiekosten. Ook dít voorstel steunt het lid Eerdmans (LPF) niet en hij kan derhalve niet akkoord gaan met deze reallocatie. De werkgroep stelt voor om deze reallocatie te beperken tot € 1,2 miljoen, omdat hij tegelijkertijd het onderzoeksbudget van de Kamer zou willen verhogen door een reallocatie vanuit dezelfde onderuitputting (zie volgende paragraaf). Dit brengt de werkgroep tot het voorstel om op het in eerste instantie verhoogde fractiebudget in tweede instantie een korting toe te passen, die bestaat uit een verlaging van het in de formule op blz. 4 genoemde nominale bedrag van € 2 527 naar € 1 000.

In tabel 4 zijn de feitelijke gevolgen van een en ander weergegeven.

Tabel 4: «Oude» en «nieuwe» fractiebudgetten (onafgerond en op jaarbasis)

Fractie Zeteltal Budget 20061 Nieuwe budget2 Verschil
CDA 44 5 030 652 5 373 148 342 496
PvdA 42 4 801 986 5 128 914 326 928
VVD* 27 3 086 991 3 297 159 210 168
SP* 8 965 479 1 031 098 65 732
GroenLinks 8 971 831 1 037 995 66 164
LPF* 7 850 352 908 245 57 894
D66 6 743 165 793 761 50 596
ChristenUnie 3 457 332 488 468 31 136
SGP 2 342 999 366 351 23 352
Groep Nawijn 1 121 479 129 749 8 271
Groep Wilders 1 114 333 122 117 7 784
Groep Lazrak 1 120 685 128 901 8 216
totaal 150 17 607 282 18 806 018 1 198 736

* Fracties met afsplitsingen in de huidige zittingsperiode; deze leiden tot naar rato-afsplitsingen van het oorspronkelijke fractiebudget

1 Incl. gevolgen ambtenaren-cao 2006.

2 Verhoogd met 2 periodieken, met verlaagde vaste component.

c. Aanpassing grote projectenregeling en onderzoeksbudget

De grote projectenregeling is bedoeld om de informatievoorziening van de Kamer over de uitvoering van een groot project volgens een door Kamer gewenst stramien te laten verlopen. Bij de totstandkoming van dat stramien protocol spelen de commissie Rijksuitgaven en het onderzoeks- en verificatiebureau een adviserende rol. Bij de verwerking van de informatie door de aangewezen Kamercommissie spelen zij een (beperkte, want op beschikbare capaciteit gebaseerde) begeleidende rol. Van Hijum c.s. pleiten, in navolging van de Tijdelijke commissie infrastructuurprojecten, voor een aanmerkelijke versterking van de begeleiding van de Kamercommissie.

Gelet op de onvoorspelbaarheid van het aantal, de duur en de omvang en aard van de benodigde externe deskundigheid, stelt de werkgroep voor een permanente voorziening in het leven te roepen in de vorm van een financieringsregeling voor de per groot project nodig geachte deskundige bijstand. Met opzet wordt hier gesproken over een regeling en niet over een permanente toevoeging aan het Kamerbudget van een geoormerkt budget voor grote projecten. De hier bedoelde regeling zou kunnen luiden dat, indien de Kamer tot een groot project besluit, de kosten van deskundige bijstand ten behoeve van de parlementaire controle automatisch worden toegevoegd aan de (departementale) begroting van het betreffende project. Met andere woorden: de kosten van controle en contra-expertise aan parlementaire kant worden integraal onderdeel van de projectbegroting en de Kamer kan de kosten derhalve declareren bij de verantwoordelijke bewindspersoon.

Een dergelijk automatisme heeft als voordeel dat een jaarlijks terugkerende onzekerheid over de toereikendheid van een geoormerkte reservering binnen de Kamerbegroting wordt vermeden.

Het systeem lijkt op de bekostigingsregeling bij parlementaire enquêtes: de kosten van een enquête worden automatisch aan het budget van de Kamer toegevoegd. Omdat in het kader van de grote projectenregeling echter geen nieuwe commissie in het leven wordt geroepen waaraan een budget wordt toegekend, is het in dit kader wellicht verstandiger om een declaratiesysteem te volgen en is er geen sprake van een budgetoverheveling tussen het betrokken departement en de Kamer.


De werkgroep stelt voor om tijdens de aanstaande behandeling van het rapport van de commissie Herziening van de enquêtewet (welk rapport het karakter heeft van een initiatiefwetsvoorstel17 ) en de gelijktijdige behandeling van de wijziging van de grote projectenregeling, zoals voorgesteld door de commissie voor de Rijksuitgaven, te bezien hoe bovenstaande regeling verankerd zou kunnen worden (hetzij in de wet, hetzij in genoemde regeling).


De werkgroep realiseert zich dat de Kamercommissies niet alleen behoefte hebben aan deskundige ondersteuning in het kader van de grote projecten. Er is deskundige bijstand nodig voor het analyseren en interpeteren van bijvoorbeeld onderzoeksresultaten, kostenramingen, prognoses, economische voorspellingen, begrotingen en effectrapportages. Ook het beoordelen van de kwaliteit en van de bruikbaarheid van onderzoek is een vak apart. De werkgroep bepleit daarom, ook weer in het kader van de uitvoering van de motie-Van Hijum, het jaarlijkse onderzoeks-budget van de Kamer (plm. € 0,5 miljoen) te verhogen en wel met een bedrag van € 0,5 miljoen . De werkgroep doet dit voorstel in het besef dat er jaren zijn waarin de Kamer het onderzoeksbudget niet volledig benut. Hij sluit echter bepaald niet uit dat deze onderbenutting voor een deel wordt veroorzaakt doordat Kamercommissies veronderstellen dat dit budget strikt bedoeld is voor de financiering van onderzoek in de nauwe betekenis van het woord en dat daaruit niet de kosten van de incidentele inschakeling van deskundigen voor advies of verificatie kunnen worden betaald. Bovendien is er in toenemende mate behoefte aan ondersteuning in het kader van initiatiefwetsvoorstellen en -nota’s. De werkgroep acht het heel wel verdedigbaar om ondersteuning van initiatieven mede uit centraal budget te financieren; een initiatiefwetsvoorstel of -nota kenmerkt zich immers onder andere door het feit dat de verworven inzichten uiteindelijk met de Kamer in haar geheel gedeeld worden.

De werkgroep hoopt dat het door een verhoging van het onderzoeksbudget gemakkelijker wordt om in het kader van andere onderzoeken van Kamercommissies, die niet aan een groot project gerelateerd zijn, of in het kader van initiatieven toestemming te krijgen van het Presidium om een of meer deskundigen in te schakelen.


Ook deze middelen kunnen via reallocatie vanuit de reeds genoemde onderuitputting worden toegevoegd. Omdat de onderuitputting gemiddeld plm. € 0,2 miljoen bedraagt, zou men kunnen stellen dat de voorgestelde verhoging in combinatie met een betere benutting zelfs leidt tot een effectieve verhoging van het onderzoeksbudget met € 0,7 miljoen. Over de wijze waarop dit budget het meest effectief kan worden ingezet, doet de werkgroep geen uitspraken. De werkgroep stelt voor dat het Presidium dit nader uitwerkt.

d. Evaluatie

Hoewel de fracties vrij zijn in de besteding van de toegekende middelen én geen verantwoording hoeven af te leggen over de besteding, adviseert de werkgroep om begin 2008 te onderzoeken of de thans voorgestelde verhoging van de fractiebudgetten en het onderzoeksbudget heeft geleid tot oplossing van de gesignaleerde knelpunten dan wel of een verdere verhoging van de fractiebudgetten noodzakelijk is, door een verdere aanpassing van de formule. De werkgroep heeft bijvoorbeeld ook becijferd welke gevolgen een verhoging van de in paragraaf 4a genoemde schalen met dríe (in plaats van twee) periodieken zou hebben. Dit zou leiden tot een verhoging van het totale fractiebudget met ruim € 2,1 miljoen (in plaats van € 1,4 miljoen) en tot een verdere verhoging van de afzonderlijke fractiebudgetten met plm. 50 procent ten opzichte van de thans voorgestelde verhoging. In dat geval zal, in het licht van de motie-Rambocus, naar een andere endogene dekking moeten worden gezocht.


De voorzitter van de werkgroep,

Ten Hoopen


De griffier van de werkgroep,

Van Dijk

BIJLAGE 1

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2

Vergaderjaar 2003–2004

29 527

Raming der voor de Tweede Kamer in 2005 benodigde uitgaven, alsmede aanwijzing en raming van de ontvangsten

Nr. 21GEWIJZIGDE MOTIE VAN HET LID RAMBOCUS, TER VERVANGING VAN DIE GEDRUKT ONDER NR. 14 Voorgesteld 1 juli 2004

De Kamer,


gehoord de beraadslaging,


constaterende dat er in de Kamer de wens bestaat om de ondersteuning van fracties te versterken;


verzoekt het Presidium bij de voorbereiding van de raming voor 2006 en daarna, binnen het beschikbare volume, voorrang te geven aan fractieondersteuning boven ambtelijke ondersteuning,


en gaat over tot de orde van de dag.


Rambocus

BIJLAGE 2

Tweede Kamer der Staten-Generaal 2

Vergaderjaar 2004–2005

29 283

Onderzoek naar infrastructuurprojecten

Nr. 17 MOTIE VAN HET LID VAN HIJUM C.S. Voorgesteld 3 maart 2005

De Kamer,


gehoord de beraadslaging,


constaterende, dat de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten door de Kamer is verzocht om te komen tot een hanteerbaar kader voor de Tweede Kamer om haar rol bij de besluitvorming en de controle op de uitvoering van grote infrastructurele projecten te verbeteren;


overwegende, dat de Tijdelijke Commissie Infrastructuurprojecten gedegen onderzoek heeft verricht en een heldere analyse met concrete aanbevelingen heeft gepresenteerd;


spreekt haar waardering uit voor het werk van de commissie en stelt vast dat het eindrapport «Grote projecten uitvergroot. Een infrastructuur voor besluitvorming» en de uitkomst van het debat hierover in de Kamer een goede basis bieden voor een nadere gedachtenwisseling met het kabinet;


stemt in met de aanbevelingen 5, 7 en 8 die betrekking hebben op de werkwijze van de Kamer en verzoekt het Presidium om met inachtneming van de in het debat gemaakte opmerkingen de nadere uitwerking ter hand te nemen en daarbij waar nodig advies te vragen aan de commissie voor de Rijksuitgaven en de commissie voor de Werkwijze van de Tweede Kamer,


en gaat over tot de orde van de dag.


Van Hijum

Dijksma

Hofstra

Van As

Gerkens

Duyvendak

Van der Ham

Huizinga-Heringa

Van der Staaij

BIJLAGE 3

Den Haag, 8 september 2005


Aan de fractiesecretarissen


Geachte collega’s,


Het Presidium heeft onlangs een werkgroep ingesteld met de opdracht om, kort samengevat, te onderzoeken of de Regeling financiële ondersteuning fracties in voldoende mate voorziet in de behoefte aan politieke ondersteuning. Instelling en taak van de werkgroep moeten worden bezien tegen de achtergrond van de motie-Rambocus18.

De werkgroep streeft ernaar om vóór het komende Kertsreces rapport uit te brengen aan het Presidium.


De werkgroep heeft besloten een aantal onderzoeken te laten uitvoeren, waaronder een onder de fracties, die bedoeld is om inzicht te krijgen in de mate van tevredenheid dan wel ontevredenheid over de huidige regeling van de fractieondersteuning en in wensen daaromtrent, maar natuurlijk ook om eventuele suggesties te vernemen.


Namens de werkgroep verzoek ik u om medewerking te verlenen aan dit onderzoek. Het spreekt voor zich dat het in het belang is van álle fracties indien de werkgroep het verlangde inzicht verkrijgt.


De werkgroep heeft gekozen voor een open vraagstelling, dit om te vermijden dat u door de vraagstelling alleen al als het ware naar bepaalde antwoorden of oplossingen geleid wordt.

Wél verzoekt de werkgroep u om de volgende invalshoeken te hanteren (naast eventuele invalshoeken die u onder de aandacht van de werkgroep zou willen brengen), dit om de onderlinge vergelijkbaarheid van de reacties van de fracties te bevorderen:


a. Voorziet de huidige regeling in voldoende mate in de behoefte aan fractieondersteuning en zo niet, welke wensen blijven onvervuld of welke knelpunten blijven onopgelost?


b. Zijn er naar uw mening de laatste jaren ontwikkelingen geweest of gaande, bijvoorbeeld als het gaat om werkdruk of veranderingen van werkwijze, die niet of onvoldoende in de huidige regeling zijn verdisconteerd?


c. Is de verhouding tussen materiële en personele uitgaven vanuit het fractiebudget naar uw mening in balans, tegen het licht van de primaire doelstelling van de regeling, te weten bevorderen van de politieke ondersteuning?


Namens de werkgroep verzoek ik u dringend om mij vóór 1 oktober a.s. uw reactie te doen toekomen, waarvoor bij voorbaat hartelijk dank.


De voorzitter van de werkgroep Heroriëntatie ondersteuning fracties,

Ten Hoopen

1  De werkgroep bestaat uit de leden Van Beek (VVD), Van Bochove (CDA), Eerdmans (LPF), Hamer (PvdA), Ten Hoopen (CDA, voorzitter), Van der Staaij (SGP) en de heer Westerhoff (namens de ambtelijk fractiesecretarissen).

2  Kamerstuk 29 527 nr. 21 (bijlage 1).

3  Kamerstuk 29 283 nr. 17 (bijlage 2).

4  Het volledige dossier is te vinden onder Kamerstuknummer 23 686.

5  De volledige, actuele regeling is te vinden op het intranet (Organisatie/rechtspositie Kamerleden en fractiepersoneel/fracties).

6  Bijlage 3.

7  Elke Nederlander gaf in 2004 € 6,71 uit aan de Tweede Kamer. Deze bedragen luiden voor parlementen die qua grootte met het Nederlandse vergelijkbaar zijn: € 18,76 voor het Schotse, € 15,44 voor het Deense en € 8,84 voor het Israëlische huis van afgevaardigden.

8  Geïndexeerd geeft de interne doorbelasting het volgende beeld: 2001: 100; 2002: 104; 2003: 95; 2004: 86.

9  Dit geldt voor de fracties van GroenLinks, de LPF en de groep-Lazrak.

10  Van de meer dan 20 projecten enkele voorbeelden: e-response (vereenvoudigt de deugdelijke afhandeling van grote hoeveelheden email); Parlis (koppelt documenten aan agenda’s en besluitenlijsten en maakt de stand van zaken in dossiers inzichtelijk); Autonomy (maakt één zoekopdracht voor alle Kamerbestanden tegelijk mogelijk).

11  Zo wordt nog betrekkelijk weinig gebruik gemaakt van de mogelijkheid om emails voor verdere behandeling door te geleiden naar aangelegen Kamercommissies en blijft ook het gebruik van «printing on demand» achter, waardoor velen het papierarme parlement ervaren als een taakverzwaring.

12  Te denken valt aan het afsluiten van collectieve contracten bij verzekeringsmaatschappijen, arbodiensten en opleidingsinstituten.

13  De salarisschalen volgens het Bezoldigingsbesluit burgerlijke rijksambtenaren.

14  Te denken valt aan webmasters, applicatiebeheerders, beeld- en geluidstechnici, licenties, hard- en software.

15  Als gevolg van de belastingherziening 2001 moesten de wettelijke onkostenvergoedingen van de Leden worden gebruteerd om te voorkomen dat zij min of meer zouden halveren.

16  De structurele onderuitputting bedraagt plm. € 1,7 miljoen op jaarbasis.

17  Kamerstukken 30 415.

18  TK 29 527, nr. 21.