Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Regels die een geconcentreerde aanpak van grootstedelijke problemen mogelijk maken (Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek)

30 091 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BESTUURLIJKE VERNIEUWING EN KONINKRIJKSRELATIES

Vergaderjaar 2005-2006

Nr. 43

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 17 maart 2006


In deze brief geef ik de reactie van het Kabinet op de motie Adelmund en Smeets (kamerstuk 30 091, nr. 42) die uw Kamer op 15 november 2005 heeft aangenomen. In de motie wordt de regering verzocht om te zoeken naar mogelijkheden om een investeringspremieregeling zoals die in Rotterdam met steun van het Rijk is ingesteld, ter beschikking te stellen voor overige gemeenten met achterstandswijken.


Allereerst wijst het Kabinet op de circa 3,5 miljard euro die 31 steden in het kader van het Grotestedenbeleid ontvangen voor de periode 2005–2009. Hiervan is in de prestatieafspraken 152 miljoen euro vastgelegd voor economische maatregelen. Ook is onlangs de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek aangenomen. Hierdoor kan in bepaalde gebieden in steden de onroerendezaakbelasting voor ondernemers verlaagd worden. Steden kunnen daarmee het ondernemersklimaat verbeteren in achterstandswijken.


Aanvullend op deze algehele maatregelen voor grote steden, heeft het kabinet binnen het kader van het actieplan «Rotterdam zet door» voor de aanpak van de nijpende problemen in delen van Rotterdam specifiek maatwerk geleverd door medefinanciering van een investeringspremieregeling. Het is nu nog te vroeg om vast te stellen of deze investeringspremieregeling, de gemeentelijke Subsidieverordening Ondernemersregeling Kansenzones Rotterdam, succesvol is. Daarom vindt een eerste evaluatie van de Ondernemersregeling Kansenzones Rotterdam plaats in 2007.


Het kabinet zal daarom thans de motie niet uitvoeren. Aan de hand van de evaluatie van de Rotterdamse investeringspremieregeling in 2007 zal het kabinet te zijner tijd tot een onderbouwing komen, en mede in het licht van de door het Rijk ter beschikking gestelde algehele middelen ten behoeve van het stedelijk beleid bezien of, en zo ja, op welke wijze deze regeling een vervolg zal krijgen.


De Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties,
A. Pechtold