Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

  • Download PDF

Modernisering van de overheid

29 362 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Vergaderjaar 2005-2006

Nr. 95

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Den Haag, 31 mei 2006


Zoals in een Algemeen Overleg van 1 februari jl. (29 362/29 515, nr. 78) toegezegd, ontvangt u hierbij de brief, waarin ik namens het kabinet de stand van zaken uiteenzet rond de uitvoering van het kabinetsstandpunt op het rapport «Je gaat erover of niet» van de, in het kader van PAO ingestelde, Gemengde Commissie Bestuurlijke Coördinatie onder leiding van Frank de Grave (hierna: Commissie De Grave).


In de reactie hierop deelt het kabinet de analyse en conclusies van de commissie, die op grond van een analyse van vier casus constateerde dat er in ons land op tal van beleidsterreinen sprake is van bestuurlijke drukte. Deze doet afbreuk aan de bestuurlijke kracht die de overheid weet te ontwikkelen bij het oplossen van maatschappelijke problemen, omdat bestuurlijke drukte in veel gevallen leidt tot vertraging in de besluitvorming of blokkades in de uitvoering. In het kabinetsstandpunt zijn de aanbevelingen van de commissie De Grave dan ook volledig overgenomen.


In deze brief wil ik u allereerst op de hoogte stellen van de voortgang van de uitvoering van het kabinetsstandpunt. Daarnaast wil ik u een beeld schetsen van de wijze waarop het kabinet in het komende jaar de vermindering van bestuurlijke drukte voorts ter hand wil nemen.


De volgende concrete acties waren in het voornoemde kabinetsstandpunt geformuleerd:

– Invoering IOS-toets

– Quick Scan naar bestuurlijke drukte

– Rondetafelgesprekken naar aanleiding van de Quick Scan

– Benutten adviezen over de vier casus

– Meningsvorming over wijziging omvang en zittingsduur vertegenwoordigende organen

– Invoering kennisgerichte shared services


Achtereenvolgens wordt in deze brief bij elk van deze acties stilgestaan.

1. Invoering IOS-toets

Met de toets op Inhoud, Organisatie en Sturing (de IOS-toets) heeft de Commissie De Grave een instrument ontwikkeld waarmee bij nieuwe voorstellen voor wet- en regelgeving kan worden nagegaan hoe groot het risico is dat de voorstellen in de praktijk zullen leiden tot nieuwe bestuurlijke drukte. Aan de hand van de IOS-toets kan worden geïdentificeerd waar de «kiemen voor bestuurlijke drukte» in de nieuwe voorstellen zich voordoen en hoe deze ondervangen kunnen worden. Het kabinet past de IOS-toets inmiddels toe op elk voorstel dat in de MR wordt behandeld.


Vanuit de verantwoordelijkheid van de minister van BZK voor de kwaliteit van het openbaar bestuur wordt vanuit verschillende invalshoeken gekeken naar voorstellen voor nieuwe wet- en regelgeving van de verschillende vakdepartementen. Dit betekent dat de ministerraadsvoorstellen niet alleen worden onderworpen aan de IOS-toets, maar ook worden getoetst op andere criteria. Concreet gaat het bijvoorbeeld om de uitgangspunten zoals die zijn geformuleerd in de Code Interbestuurlijke Verhoudingen, het toetsingskader Specifieke Uitkeringen waarmee wordt bezien of voorstellen die directe uitwerking hebben op de taken en bevoegdheden van medeoverheden gepaard gaan met daarbij passende financiële arrangement, en in de nabije toekomst ook de toetspunten die voortvloeien uit het werk van de Werkgroep Alders over interbestuurlijk toezicht. Deze verschillende invalshoeken zijn in het kader van de uitvoering van het kabinetsstandpunt op de Commissie De Grave geïntegreerd, hetgeen heeft geleid tot een integraal toetsingskader voor nieuwe voorstellen van wet- en regelgeving.

2. Duiding «bestuurlijke drukte» op grond van Quick Scan en rondetafelgesprek

De Commissie De Grave heeft aanbevolen een Quick Scan uit te voeren bij alle departementen, om zo een beter beeld te krijgen van de bestuurlijke drukte binnen de verschillende beleidsterreinen. In het kader van de quick scan is aan alle ministeries gevraagd vooralsnog één casus aan te leveren waarin sprake is van bestuurlijke drukte. De casus die door de departementen zijn ingediend, worden beschreven in paragraaf 4.


Op 4 april jl. heeft op grond van de eerste uitkomsten van de Quick Scan de eerste van twee rondetafelgesprekken plaatsgevonden. De tweede bijeenkomst vindt in het najaar plaats. In paragraaf 5 wordt hierop verder ingegaan. Tijdens het eerste rondetafelgesprek zijn drie van de door de departementen aangeleverde casus diepgaand besproken. Uit deze discussies en de overige resultaten van de Quick Scan kan een aantal inhoudelijke bevindingen rond bestuurlijke drukte worden gedestilleerd, die ik hier graag met u wil delen.


Allereerst maakt de verscheidenheid aan ingediende casus duidelijk dat het fenomeen «bestuurlijke drukte» veelvormig is.

Het kan zich voordoen binnen één overheidsniveau of tussen verschillende overheidslagen. Maatschappelijke of functionele instellingen kunnen wel of geen onderdeel uitmaken van de bestuurlijke constellatie.


Bestuurlijke drukte kan vooral tot uiting komen in het feit dat besluitvorming stagneert, of in het feit dat zaken in de uitvoering geblokkeerd raken. En de bestuurlijke drukte kan tot slot vooral worden veroorzaakt door de manier waarop de bestuurlijke constellatie is ingericht, of door de manier waarop bestuurders met de constellatie omgaan. Maar wat de zeer verschillende casus gemeen hebben, is dat de bestuurlijke kracht in ons land door bestuurlijke drukte wordt ondermijnd. Tijdens het ronde tafelgesprek is gebleken dat het analyseren van de casus aan de hand van een stroomschema, zoals de Commissie De Grave dit ook heeft gedaan, zeer verhelderend werkt.

Een stroomschema maakt namelijk in één oogopslag inzichtelijk hoe groot de kans is of een gegeven bestuurlijke constellatie in de praktijk goed zal kunnen functioneren.


Ten tweede maakt nadere analyse van de casus duidelijk, dat voor het ontstaan van bestuurlijke drukte geen duidelijke «schuldigen» zijn aan te wijzen; boze opzet van één van de betrokken partijen ligt eigenlijk nooit aan het fenomeen van bestuurlijke drukte ten grondslag. Er zijn andere mechanismen die ertoe leiden dat bestuurlijke constellaties steeds ingewikkelder worden, waardoor ze bovendien steeds meer in zichzelf gekeerd raken en het maatschappelijke probleem waar het allemaal om begonnen was buiten beeld verdwijnt.

Een eerste mechanisme is dat wanneer in de oorspronkelijke wet- en regelgeving geen duidelijke verdeling is aangebracht in taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden dit in de praktijk resulteert in veelvuldig overleg of wachten op elkaar; in bestuurlijke drukte kortom.

Een tweede mechanisme is dat bestuurlijke drukte ontstaat wanneer aan de voorkant geen duidelijke samenbindende opdracht is geformuleerd voor de bestuurlijke constellatie als geheel. In de praktijk leidt dit tot een zoekproces dat zelden met een heldere conclusie kan worden beëindigd, omdat telkens nieuwe feiten of invalshoeken de opdrachtformulering weer ter discussie doen stellen.

Een derde mechanisme is inherent aan de «dynamiek van besturen» en hangt samen met het feit dat bestuurlijke drukte voor partijen binnen de bestuurlijke constellaties op sommige momenten ook voordelen biedt. Zo geeft het de mogelijkheid om besluiten op opeenvolgende momenten weer ter discussie te stellen, waardoor de mogelijkheid bestaat het eigen (deel)belang opnieuw in te brengen, in de hoop dat daar in de tweede of soms derde of vierde ronde meer ruimte voor kan worden geclaimd. Dit mechanisme is inherent aan het gegeven dat zich binnen bestuurlijke constellaties belangenverschillen kunnen voordoen.

Tot slot kan op grond van de nadere analyse van de casus worden gewezen op een vierde mechanisme dat bijdraagt aan het ontstaan van bestuurlijke drukte. Dit is een mechanisme van culturele aard en gaat terug op de al vaak beschreven «consensuscultuur» die onderdeel uitmaakt van het wezen van ons (bestuurlijke) Nederland. Door deze cultuur bestaat er binnen bestuurlijke constellaties de diep gewortelde wens om overleg net zo lang voort te zetten tot alle betrokken partijen zich in de uitkomsten kunnen vinden. Nadeel hiervan is wel dat zo’n proces van consensusvorming tijdrovend kan zijn en dat gaande het proces ook het inhoudelijke probleem steeds meer buiten beeld verdwijnt. Overigens is tijdens het ronde tafelgesprek ook de positieve keerzijde hiervan naar voren gekomen: processen verlopen hierdoor weliswaar traag, maar de uiteindelijke beslissing is wel zorgvuldig tot stand gekomen, waardoor de verschillende relevante belangen erin verenigd zijn.


Naast de veelvormigheid van bestuurlijke drukte en de veelheid aan mechanismen dat eraan ten grondslag ligt, heeft de analyse op grond van de resultaten van de Quick Scan ook duidelijk gemaakt dat het oplossen van bestuurlijke drukte (of, anders geformuleerd: het hervinden van bestuurlijke kracht) meer vraagt dan het eenvoudig schrappen van actoren of een paar lijntjes uit een stroomschema. Naast de structuur en de procedures, is juist ook de bestuursstijl van groot belang. Bovendien vergt de zoektocht naar mogelijkheden om bestuurlijke drukte te verminderen dat nadrukkelijk wordt gekeken vanuit het maatschappelijke probleem waar het om te doen is. De vraag is vervolgens wie er echt voor nodig zijn om het probleem op te lossen en bovenal hoe tussen deze partijen een eenduidige en eenvoudige verdeling van taken, verantwoordelijk-heden en bevoegdheden kan worden verkregen. Elke casus leidt zo tot een op haar eigen maat gesneden oplossing.


Een laatste notie die ik met u wil delen, is dat we ons bij het streven naar vermindering van bestuurlijke drukte voor ogen moeten houden, dat het creëren van frictieloos bestuur een illusie is. Onze samenleving en daarmee ook de vraagstukken waar de overheid voor staat, is te veelzijdig en ingewikkeld om te kunnen denken dat het bestuur zo is te organiseren dat een zekere mate van overlap en dus bestuurlijke coördinatie onnodig is. De kunst is veeleer telkens te zoeken naar dìe bestuurlijke constellatie waarmee zowel recht wordt gedaan aan de complexiteit van het vraagstuk en daarmee samenhangende belangen, als waarin het zo geregeld is dat het het bestuur effectief en efficiënt kan opereren.

3. Resultaten Quick Scan en vervolgacties

In deze paragraaf worden de casus gepresenteerd die de Quick Scan heeft opgeleverd. Voordat de afzonderlijke casus worden besproken, beschrijf ik eerst enkele algemene bevindingen.

Algemene bevindingen

Het is van belang op te merken dat het kabinet bij de Quick Scan op heel veel reeds lopende trajecten is gestuit, waarbij de vermindering van bestuurlijke drukte niet altijd expliciet als doelstelling is genoemd, maar dit wel tot effect zal hebben. Voorbeelden zijn Operatie Jong, de WMO, de nieuwe wet op de Crisisbeheersing, trajecten in het kader van lastenverlichting voor burgers en bedrijven en ook de nieuwe WRO.

Daarnaast wil ik hier de toekomstdiscussie over het Middenbestuur noemen die ikzelf heb geëntameerd. Hierin streef ik niet naar meer, maar juist naar minder (feitelijke) bestuurslagen en bijbehorende bestuurders en ambtenaren. Beheersing en waar mogelijk beperking van bestuurlijke drukte is daarom voor mij een belangrijk criterium in deze discussie.

Casus « Voor- en naschoolse opvang» (OCW en SZW)

Vanuit OCW is de casus «voor- en naschoolse opvang» ingediend. Deze casus heeft betrekking op de uitvoering van de motie Van Aartsen/Bos, die tot doel heeft bij te dragen aan een sluitend dagarrangement voor schoolgaande kinderen door goede aansluiting van onderwijs en opvang. Concreet worden scholen verantwoordelijk voor de aansluiting tussen onderwijs en opvang en kunnen ouders de school hier op aanspreken.


Wanneer we naar deze casus kijken in termen van de IOS-toets, dan valt een aantal zaken op. Inhoudelijk heeft de motie focus en versnelling aangebracht in een al lopend proces om sluitende dagarrangementen te realiseren in het kader van de Operatie Jong. Daarnaast is in de organisatie duidelijkheid geboden over waar de uitvoerende regie ligt: bij de school die aanspreekbaar is voor de ouders. Dit schept helderheid in de samenwerking en afstemming tussen lokale instanties die onder de verantwoordelijkheid vallen van verschillende vakdepartementen. Wat de sturing betreft, kan worden opgemerkt dat er niet is voorzien in één eindverantwoordelijke minister op rijksniveau. De minister van OCW is verantwoordelijk voor de regierol van de scholen. De minister van SZW blijft verantwoordelijk voor de kwaliteit en de financiering van de kinderopvang, een verantwoordelijkheid die immers ziet op het gehele bestand van kinderopvang – ook waar dat niet in samenwerking met scholen is georganiseerd. Er is ook sprake van onderscheiden inspectietaken. Op het lokale uitvoeringsniveau voert de gemeente bestuurlijke regie bij de totstandkoming van brede scholen en zaken als financiën en beheer van gebouwen.


Deze analyse leidt ertoe dat uit de analyse van deze casus in deze quick scan de volgende aandachtspunten zijn voortgekomen die door OCW nader zullen worden uitgewerkt:

– Analyse van bestaande geldstromen op lokaal niveau en bezien in hoeverre afstemming en bundeling mogelijk en noodzakelijk is, als onderdeel van het plan van aanpak samenhang in voorzieningen 0–12 jaar in het kader van Operatie Jong. Een goed voorbeeld hiervan is de regeling stimulering brede scholen en sportaccommodaties waar het ministerie van OCW en VWS gezamenlijk in optrekken;

– Afstemming van verschillende toezichtsverantwoordelijkheden en -activiteiten in het kader van de Operatie Jong.

Casus «Reconstructie landelijke gebieden» (LNV)

Door LNV is de reconstructie van zandgebieden in het kader van het Investeringsbudget Landelijk Gebied (ILG) als casus ingediend. Doel van deze reconstructie is dat in een aantal plattelandsgebieden verschillende functies die daar plaatsvinden (intensieve veehouderij, natuur, water, leven en recreëren) beter met elkaar worden verenigd. Met de reconstructie worden drie prioritaire rijksdoelen gerealiseerd: verstevigen structuur intensieve veehouderij, realiseren Ecologische Hoofdstructuur en verhogen waterkwaliteit en waterveiligheid.. De provincies krijgen middels het ILG een budget en zeven jaar de tijd om de van tevoren afgesproken doelen te realiseren. De reconstructie is een voorloper van het ILG wat betreft «centraal wat moet, decentraal wat kan».


De provincies hebben de reconstructieplannen zelf opgesteld vanuit een bottom-up proces per gebied, hetgeen gezien de stapeling van claims ook noodzakelijk was. Het rijk heeft de plannen goedgekeurd. Voor de uitvoering ligt de regie bij de provincies.

Binnen het rijk is veel ervaring opgedaan met de onderlinge afstemming van de standpunten van de drie departementen (LNV, VROM en V&W). Er is één rijksprogramma opgezet waarin inzet en standpunten worden gecoördineerd. Op het bestuurlijk vlak bespreken de bewindslieden, de gedeputeerden, VNG en waterschappen halfjaarlijks de voortgang, waarin knelpunten in de uitvoering worden opgelost.


Bij nadere analyse van deze casus komt naar voren dat er een aantal risico’s bestaan die de daadwerkelijke uitvoering door provincies kunnen belemmeren. Er zijn vele actoren bij reconstructie betrokken die niet allemaal dezelfde snelheid kunnen ontwikkelen. Bovendien kan het lastig zijn in concrete projecten consensus te bereiken over de wijze waarop de verschillende functies met elkaar verenigd kunnen worden. Tevens zijn er vervolgprocedures te bewandelen alvorens met de daadwerkelijke realisatie kan worden begonnen. In eerste instantie wordt gestreefd naar het bereiken van onderlinge overeenstemming door goed overleg. Als ultimum remedium biedt artikel 27 van de Reconstructiewet concentratiegebieden de mogelijkheid om reconstructieplannen door te laten werken in bestemmingsplannen. Tot slot kan de uiteindelijke investeringsbereidheid van maatschappelijke partners ontoereikend blijken te zijn.


Bij de uitvoering van de reconstructie ligt de verantwoordelijkheid bij de provincies. In tegenstelling tot de landinrichtingsprocedures onder de Landinrichtingswet zijn de inrichtingsprocedures in de Reconstructiewet concentratiegebieden in belangrijke mate vereenvoudigd. Daarom zal het kabinet zich een beeld vormen van de winst die met deze vereenvoudiging is bereikt, oftewel in hoeverre de bestuurlijke drukte door genoemde vereenvoudiging is afgenomen.


De reconstructie zandgebieden wordt momenteel geëvalueerd en de Tweede Kamer wordt daarover begin 2007 geïnformeerd. Het is duidelijk dat de komende zeven jaar de verantwoordelijkheid ligt bij de provincies.


Met het oog op de invoering van het ILG en de cruciale rol van provincies hierin, zullen als concreet vervolg op deze Quick Scan de provincies vanuit het kabinet worden uitgenodigd om gezamenlijk de IOS-toets uit te voeren.

Casus «Randstad 380 kV hoogspanningsverbinding» (EZ)

Deze casus heeft betrekking op een nieuwe bovengrondse 380 kV hoogspanningsverbinding in de Randstad die zal lopen van Wateringen naar Beverwijk. De verbinding is nodig om de elektriciteitsvoorziening in met name de Randstad voor de toekomst zeker te stellen. Het tracé van de nieuwe verbinding zal middels een PKB-procedure globaal worden afgewogen. Na opname in de PKB zal het project de rijksprojectenprocedure (RPP) doorlopen, op basis waarvan vrijstelling van bestemmingsplannen wordt verkregen.


Voorts zal aan Rijkszijde een projectminister worden aangewezen die de gecoördineerde voorbereiding van besluiten te nemen door de rijksoverheid en andere overheden bevordert. Alleen indien een bestuursorgaan niet of niet tijdig op de aanvraag beslist of de beslissing naar het oordeel van de projectminister en de minister van VROM wijziging behoeft, dan kunnen beide ministers na overleg met het betreffende bestuursorgaan gezamenlijk een beslissing op de aanvraag nemen. Dit is een goed voorbeeld van het regelen van doorzettingsmacht op Rijksniveau.


Bij deze casus zullen zeer veel bestuurders betrokken raken. Het gaat om vier provincies en bovendien zo’n 20 gemeenten over wiens grondgebied de hoogspanningsverbinding zal lopen. Vermoedelijk zal zich hier het probleem voordoen dat iedereen weliswaar leveringszekerheid wil als het om energie gaat, maar dat niemand wil dat de verbinding over zijn grondgebied loopt. De casus heeft dan ook alles in zich om een voorbeeld te worden van een langdurig proces waarin veel bestuurlijke drukte plaatsvindt.


De casus roept het volgende beeld op: weliswaar lijken in termen van procedures en doorzettingsmacht de zaken de zaak goed geregeld te zijn, maar de vraag is hoe het in de praktijk zal verlopen. De casus maakt duidelijk dat het uiteindelijk de bestuursstijl zal zijn die bepaalt hoeveel bestuurlijke drukte zich daadwerkelijk zal voordoen. In dit kader wil ik verwijzen naar onderstaande casus van het ministerie van V&W. Hieruit zijn lessen te trekken waardoor het kabinet in de toekomst kan leren van deze casus. Om deze lessen expliciet mee te nemen, wordt vooraf nagedacht op welke wijze bestuurlijke drukte gaande het traject op een slimme manier zal worden vermeden.

Casus Sijtwende (V&W)

Vanuit dit departement is als illustratief voorbeeld de casus Sijtwende ingediend. Dit betreft een inmiddels bijna afgerond infrastructureel wegproject dat onderdeel uitmaakt van de Noordelijke Randweg Den Haag, gecombineerd met woningbouw en kantoorontwikkeling. De eerste ideeën voor de wegverbinding stammen uit 1933. Halverwege de jaren ’90 is met de realisatie begonnen. De patstelling tussen de verschillende bestuurslagen is doorbroken op het moment dat een consortium van private partijen kwam met een oplossing waardoor de verschillende belangen (verkeer en vervoer, tegengaan geluidsoverlast en doorsnijding) verenigd konden worden: een ondertunneling van de weg met de mogelijkheid op de tunnel een groot aantal woningen te realiseren.


De casus laat een aantal dingen zien. Opvallend is natuurlijk dat een bestuurlijke patstelling tussen overheden (in dit geval tussen rijk en gemeenten) heel lang kan duren door weinig verticale doorzettingsmacht, ook wanneer het om nationale belangen bij het wegennet gaat. Er zijn op verschillende momenten in deze periode bestuurlijke stappen gezet, inclusief het entameren van een aanwijzing op grond van de WRO. Desondanks heeft de soms stevige politieke druk het niet voor elkaar gekregen de betrokken partijen (Rijk, provincie, diverse gemeenten en belangengroepen) tot elkaar te brengen en de ingezette procedures af te ronden.


Even opvallend is dat het een private partij is geweest, die met een initiatief is gekomen dat het vastgelopen proces uit het slop heeft weten te halen.


Wanneer we naar dit soort casus kijken, dan wordt duidelijk hoe belangrijk de structuur en procedures zijn en welke rol ze spelen bij het beoordelen van bestuurlijke drukte. Op dit punt zijn rondom de infrastructuur de laatste jaren belangrijke stappen gezet. Bij grote infrastructurele projecten zetten de ministers van VenW en VROM de nut en noodzaakdiscussie vóórop. De nieuwe Tracéwet en de nieuwe Wet op de Ruimtelijke Ordening voorzien in nieuwe mogelijkheden om in de toekomst dit soort langslepende kwesties te voorkomen.


Deze casus laat ook zien dat de bereidheid bestaand instrumentarium toe te passen (waarop de Commissie De Grave wijst) evenwel in de praktijk lang niet altijd soulaas biedt; in de (inter)bestuurlijke verhoudingen blijft toch het zoeken van een evenwicht tussen doorpakken en doorpraten aan de orde. De Code interbestuurlijke verhoudingen geeft hieraan richting.

Voorts wijst de casus ons op een ander belangrijk aspect: de partij die procesverantwoordelijk is, heeft grote invloed op de manier waarop het proces verloopt en het soort oplossing dat wordt nagestreefd. Dankzij de inbreng van de private partij verminderde de focus op alleen de weg en ontstond er ruimte voor een meer integrale kijk op het project waardoor er meerdere belangen konden worden gediend.

Tot slot wijst deze casus ook op het belang van de bestuursstijl van de betrokken bestuurders. Doordat die op enig moment het eens konden worden over een onorthodoxe oplossingsrichting en bereid waren die te verdedigen bij hun achterbannen kon de bestuurlijke patstelling worden doorbroken.


De casus kan worden gezien als aanvulling op de inzichten uit het rapport van de Commissie De Grave. Deze wijst ons op het feit dat organisatie en sturing («de structuur») belangrijk zijn, doch dat eveneens belangrijk is hoe hier in de praktijk mee wordt omgegaan. De les is dan dat het creëren van ruimte voor andere dan de voor de hand liggende oplossingen, een noodzaak is voor een zich veranderende overheid. In een samenleving, die zich steeds meer ordent langs individueel opgebouwde netwerken, bieden onverwachte ontmoetingen kansen op het doorbreken van patronen en het ontstaan van tijdelijke coalities die slimme arrangementen bedenken.

Specifieker laat de casus zien op welke wijze een bestuurlijke impasse kan worden doorbroken door de inbreng van private partijen. Verkeer en Waterstaat benadrukt dan ook de hoge waarde van innovatieve vormen van aanbesteden en publiek-private samenwerking in de realisatie van infrastructuur1. De mogelijkheden hiervan blijven een punt van aandacht. De wijze waarop hiermee wordt omgegaan, zal door de Minister van Verkeer en Waterstaat jaarlijks worden besproken bij de vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van het Infrastructuurfonds.


Ook de verbetering van de interbestuurlijke samenwerking bij infrastructurele dossiers is een ambitie van Verkeer en Waterstaat. Een bestaande uitwerking daarvan is zichtbaar bij de realisering van het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR). Met behulp van overeenkomsten tussen Rijk, provincie, gemeenten, stadsregio en Havenbedrijf worden gezamenlijk belangen behartigd, risico’s gedeeld en verantwoordelijkheden gedragen. Ook de aanpak en realisering van de A59 Rosmalen–Geffen eind 2005 geeft een duidelijk voorbeeld van de goede werking van een samenwerking van Rijk, provincie, gemeenten en het private consortium Poort van Den Bosch.


De Nota Mobiliteit benadrukt evenzeer de interbestuurlijke benadering van de problematiek rond mobiliteit. De nota geeft aan dat provincies en stadsregio’s elk in hun gebied aan de lat staan om het voortouw te nemen en de organisatie van de interbestuurlijke samenwerking ter hand te nemen.

De uitvoering van de nota wordt via de Uitvoeringsagenda aangestuurd en bevat de activiteiten van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat en de omgeving: de regionale overheden, andere departementen, maatschappelijke organisaties, de wetenschap en het bedrijfsleven. De gezamenlijke invulling van de gebiedsgerichte netwerkanalyses bewerkstelligt dat het verkeer- en vervoerbeleid van de verschillende overheden in een bepaalde regio beter op elkaar aansluit. Dat komt de kwaliteit van de mobiliteit ten goede. Over het verloop van de uitwerking van de Nota Mobiliteit en de stand van zaken rond de netwerkanalyses zult u regelmatig op de hoogte worden gehouden door de minister van Verkeer en Waterstaat.

Casus «Arbeidstijdenbestluit Vervoer» (SZW en V&W)

De casus «Arbeidstijdenbesluit Vervoer» heeft betrekking op de arbeidstijden, rusttijden, rij- en vliegtijden voor de verschillende vervoerssectoren, namelijk wegvervoer, railvervoer, luchtvaart, binnenvaart, zeevaart, zeevisserij en registerloodsen. De ATB-v is een algemene maatregel van bestuur die is gebaseerd op de Arbeidstijdenwet (ATW). Het beleid waarvan de ATB-v een weerslag is, heeft tot doelstelling de veiligheid en gezondheid van de werknemer te beschermen en de verkeersveiligheid te bevorderen, met inachtneming van de concurrentiepositie van de sectoren.

In deze casus concentreert de bestuurlijke drukte zich op rijksniveau. Dit heeft op twee aspecten betrekking. Allereerst is er een gedeelde ministeriële verantwoordelijkheid tussen de minister van V&W en de minister van SZW. Ten tweede hebben de inspectiediensten van beide ministeries, de Arbeidsinspectie en de Inspectie Verkeer en Waterstaat, beide een taak bij de handhaving van de ATB-v. Ook is er nog een beperkte taak weggelegd voor het Korps Landelijke Politiediensten.

Voor wat de gezamenlijke regelgevende bevoegdheden van beide ministers betreft, op 21 april is een wetsvoorstel Vereenvoudiging ATW ingediend bij de Tweede Kamer. Als de wet in werking treedt, zal dit leiden tot een vermindering van het aantal gevallen waarvan sprake is van dubbele ondertekening. Daarmee wordt de noodzaak tot afstemming tussen beide ministeries, en dus de bestuurlijke drukte, aanzienlijk beperkt.

Het punt van de gezamenlijke verantwoordelijkheden van beide inspecties blijft echter nog bestaan, wat leidt tot de noodzaak van onderlinge afstemming en samenwerking.

In aansluiting op al lopende trajecten, zoals de implementatie van de kaderstellende visie op toezicht, heeft het kabinet de ambitie om op 1 januari 2007 een dusdanig hechte samenwerking tussen beide inspecties tot stand te brengen, dat de inspecties vanuit het perspectief van de onder toezicht staanden als één organisatie functioneren.

Casus Programma stroomlijning indicatieprocessen in Zorg en Sociale Zekerheid (VWS en SZW)

In het kader van het kabinetsplan aanpak administratieve lasten voor burgers hebben de staatssecretarissen van VWS en SZW gezamenlijk recent een brief aan de kamer gestuurd (29 515, nr. 134) over het «programma Stroomlijning Indicatieprocessen in Zorg en Sociale Zekerheid», waarin uiteen wordt gezet dat de verschillende instellingen waarmee ouderen, gehandicapten, chronisch zieken en arbeidsongeschikten te maken hebben als zij voorzieningen aanvragen (UWV, CIZ, CWI), beter gaan samenwerken.

In deze samenwerking staat niet het perspectief van de regeling centraal, maar het perspectief van de burger.


Op hoofdlijnen ziet de bestuurlijke constellatie er als volgt uit:

– Indicaties vormen de toegangspoort voor burgers om in aanmerking te komen voor de regelingen en wetten die hen kunnen ondersteunen, zoals de WAO, de AWBZ, de WMO, de WSW, etc. Namens 6 departementen en de Nederlandse gemeenten voeren 11 instanties 45 verschillende indicatiestellingen uit. In 2002 zijn 3,75 miljoen indicaties uitgevoerd.

– Het indicatieproces heeft drie functies: (1) onderzoeken wat de zorgvrager precies nodig heeft, gelet op de aard van zijn aandoeningen of beperkingen, (2) een onafhankelijke en eerlijke beoordeling van de gevraagde voorziening (claimbeoordeling), (3) het bewaken dat niet meer wordt toegekend dan nodig is op grond van de behoefte en de aanspraken (budgettaire beheersing).

Klachten over het proces van indicatiestelling hebben met name te maken met de aanvraag van indicaties voor meer dan één voorziening waarbij meerdere indicatiestellende organisaties zijn betrokken. Het uitgangspunt is vooralsnog dat belangrijke verbeteringen kunnen worden bereikt binnen de bestaande bestuurlijke verantwoordelijkheidsverdeling. Een andere bestuurlijke inrichting van de indicatiestellende organisaties leidt niet per definitie tot een beter resultaat voor de burger. Gekozen is om zo veel mogelijk pilotsgewijs op lokaal en regionaal niveau verbetervoorstellen uit te voeren. Voortvloeiend uit deze Quick Scan wordt in het verlengde van deze pilots de eventuele bestuurlijke drukte bij indicatiestelling meegenomen. Een en ander wordt uitgewerkt in overleg met betrokken uitvoeringsinstanties. Uiteraard wordt in de verdere uitwerking het perspectief van de burger betrokken.

Casus «Waterketen» (VROM en V&W)

De waterketen bestaat uit een aantal schakels, te weten: productie en levering van drinkwater, inzameling en transport van afvalwater en zuivering van dit afvalwater.


De waterketen hangt nauw samen met het watersysteem: het levert de grondstof voor het drinkwater en de lozingen van gezuiverd afvalwater vinden er plaats.

De bestuurlijke constellatie die de waterketen aanstuurt zit ingewikkeld in elkaar, omdat er veel partijen op zowel het landelijke, provinciale en het regionale niveau (zoals gemeenten, waterschappen en waterleidingbedrijven) bij betrokken zijn. Op dit moment loopt er al, onder leiding van de Stuurgroep Waterketen (VROM, VenW, IPO, VNG, Unie van Waterschappen en VEWIN), een bottom-up proces dat erop is gericht de doelmatigheid en transparantie van de waterketen te vergroten. Het indienen van deze casus in het kader van de Quick Scan Bestuurlijke drukte moet worden gezien als aanvulling op dit al lopende proces en heeft naast de inhoud ook als focus de bestuurlijke processen en mogelijke verbeteringen.


In de praktijk blijkt dat met name op het niveau van de regio weliswaar de samenwerking in de vorm van onderlinge afstemming tussen de betrokken partijen van de grond begint te komen, doch dat het «samen doen» nog meer aandacht vraagt.


Dit hangt ondermeer samen met de betrokkenheid van diverse bestuurslagen met verschillende invalshoeken en belangen en met de financieringsstructuur van de waterketen. Geconstateerd kan worden dat noch op landelijk niveau, noch op het regionale niveau één partij is aan te wijzen die de integrale verantwoordelijkheid heeft voor het geheel. Verder geldt voor met name kleine gemeenten dat ze soms te kampen hebben met gebrek aan kennis en capaciteit om hun taken goed uit te voeren. Deze verschillende factoren gezamenlijk resulteren in een flinke dosis bestuurlijke drukte binnen de keten.


Er zijn, naast het al genoemde proces, al wel andere stappen gezet om de situatie in de waterketen te optimaliseren. Op grond van het IBO «Bekostiging Waterbeheer» zijn twee wetgevingstrajecten gestart die zullen resulteren in bundeling van geldstromen. De verantwoordelijkheidsverdeling op rijksniveau is al aangescherpt doordat is afgesproken dat de bewindspersoon van VROM het eerste aanspreekpunt is voor zaken die de waterketen aangaan.

Een eerste stap die op dit moment voorts wordt gezet om de doelmatigheid in de waterketen te vergroten, is de afstemming van investeringen tussen gemeenten en waterschappen bij nieuwbouw en renovatie van riolering en zuivering. Daartoe worden gezamenlijke optimalisatiestudies afvalwatersysteem (OAS) uitgevoerd. De resultaten hiervan worden vertaald in bestuurlijke afspraken tussen gemeenten en waterschappen.

In de Toekomstagenda Milieu wordt bovendien een extra impuls gegeven aan de totstandkoming van samenwerking op regionaal niveau.


In het kader van deze Quick Scan worden hier bovenop een aantal aanvullende acties ingezet, gericht op het in kaart brengen van de bestuurlijke drukte en oplossingsrichtingen voor potentiële verbetering.


In dit kader zullen de volgende concrete acties door het Rijk worden geïnitieerd, in overleg met de Stuurgroep Waterketen:

– Het uitvoeren van de IOS-toets samen met de verschillende actoren in de bestuurlijke constellatie, om zo te komen tot een gezamenlijke analyse van de bestuurlijke drukte en een gedeelde gezamenlijke aanpak (uitvoering medio 2006);

– Het onderzoeken of het toegevoegde waarde heeft wanneer kennisinstituten die nu al actief zijn in de waterketen 1 Shared Service Center op landelijk niveau opzetten opdat kennis en deskundigheid toegankelijk wordt voor de waterketenpartijen (start tweede helft 2006);

– Het onderzoeken of het mogelijk is ook op regionaal niveau ten behoeve van de uitvoering van de waterketendiensten regionale Shared Service Centra of samenwerkingsverbanden op te zetten van waaruit uitvoeringsactiviteiten meer gebundeld kunnen plaatsvinden (aanvang tweede helft 2006).

Casus «Informatiestatuut Politie» (BZK)

In het Landelijk Kader Politie 2003–2006 was opgenomen dat een heroriëntatie zou plaatsvinden op de informatie-uitwisseling tussen de regiokorpsen en de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie. Deze heroriëntatie had tot doel de informatievraag vanuit het Rijk aan regio’s in het kader van de beleids- en beheerscyclus te stroomlijnen.


Dit heeft inmiddels geresulteerd in het Informatiestatuut Politie 2005, waarin afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop informatievoorziening en verantwoording tussen rijk en politiekorpsen wordt vormgegeven. Dit statuut heeft concreet geleid tot een eenduidige informatiekalender waarin is opgenomen op welke momenten welke informatie moet worden uitgewisseld. Daarnaast is in het kader van het statuut een landelijke database in ontwikkeling waarin aangeleverde informatie wordt opgeslagen en is er aandacht voor de kwaliteit van de informatie.


Vanuit het oogpunt van «vermindering bestuurlijke drukte» is het Informatiestatuut van belang, omdat met de stroomlijning van de informatievoorziening ook een aanzienlijke vermindering van het aantal overlegmomenten heeft plaatsgevonden. In het kader van de beleids- en beheerscyclus en de hieruit voortvloeiende informatieverplichtingen beperkt het overleg zich thans tot 1 gesprek per jaar waarin vertegenwoordigers van rijk en korpsen elkaar spreken aan de hand van de vastgestelde informatie. Met deze casus wordt duidelijk gemaakt dat er een nauwe samenhang kan bestaan tussen informatiestromen aan de ene kant en de bestuurlijke drukte in de betreffende bestuurlijke constellatie aan de andere kant.


Het kabinet vindt het van belang dat de winst die met het Informatiestatuut is geboekt wordt voortgezet wanneer het nieuwe politiebestel, dat nu in voorbereiding is, in werking treedt. Daarom zal ik in het kader van deze quick scan bestuurlijke drukte niet alleen het voorkomen van bestuurlijke drukte worden meegenomen in het wetgevingstraject, maar zal ook, als de wetsteksten door de Tweede Kamer zijn geaccordeerd, door het rijk in samenspraak met de korpsen expliciet worden stil gestaan bij de vraag of de winst die met het Informatiestatuut is geboekt voldoende wordt voortgezet in de nieuwe situatie.

Resultaten overige departementen

In bovenstaande casus komen de ministeries van Algemene Zaken, Financiën, Justitie, Defensie en Buitenlandse Zaken niet naar voren. De Quick Scan heeft op de beleidsterreinen waar deze departementen voor verantwoordelijk zijn op dit moment geen casus van bestuurlijke drukte opgeleverd.

4. Stand van zaken rond de vier door de Commissie De Grave onderzochte casus

De commissie De Grave heeft rond vier concrete casus een aantal aanbevelingen gedaan die kunnen leiden tot een vermindering van bestuurlijke drukte. Deze casus waren:

– Bedrijfsontwikkeling in het Schipholgebied;

– Voortijdig schoolverlaten.

– Illegale Arbeid.

– Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO).

In deze paragraaf wordt per casus aangegeven wat de stand van zaken is van de uitvoering van de aanbevelingen.

Casus «Bedrijfsontwikkeling op het Schipholgebied»

Om te beginnen de bedrijfsontwikkeling in het Schipholgebied. De commissie gaat daarbij in op de bestuurlijke drukte rond de mainport Schiphol. De commissie heeft een aantal bestuurlijke knelpunten gesignaleerd:

Een gebrek aan eenduidige en effectieve sturing vanuit het Rijk;

Hieruit voortvloeiend een sterke sectorale verkokering: er is geen of te weinig afstemming tussen ruimtelijke ordening, infrastructuur en economie;

Op regionaal niveau bestaan erg veel overleggremia, terwijl regionale doorzettingsmacht ontbreekt, waardoor belangentegenstellingen kunnen leiden tot (langdurige) patstellingen.


Bij de beschrijving van deze casus is het van belang op te merken dat rond de ontwikkeling van Schiphol al het nodige is ondernomen (zoals het Noordvleugelprogramma, het Kabinetsstandpunt Schiphol en het Platform bedrijventerreinen en kantoorlocaties van de regio). Met het kabinetsstandpunt Schiphol wordt in mijn ogen voor een belangrijk deel voorzien in een aanpak van de door de Commissie De Grave gesignaleerde knelpunten. Hierop zal hieronder kort worden ingegaan.

Sturing door het Rijk

In het kabinetsstandpunt over Schiphol spreekt het kabinet zich uit over de ontwikkeling van de mainport, de inpassing van Schiphol in de omgeving en de kwaliteit van de leefomgeving rondom de luchthaven. Met het kabinetsstandpunt legt het Rijk een sturingskader neer voor de ontwikkeling van Schiphol en ruimte voor ontwikkelingsmogelijkheden voor de omgeving.


Om de mainport te versterken ondersteunt het kabinet de ontwikkeling van onder meer de Amsterdamse Zuid-As als internationale topvestigingslocatie voor kantoren en bedrijven en de versterking van het logistieke complex rondom Schiphol.

Het kabinet staat in beginsel positief tegenover de ontwikkelingen van Werkstad A4, maar wacht een concretisering van de plannen door de initiatiefnemers af. De mogelijke ontwikkeling van het regionale initiatief tot Werkstad A4 moet nauw worden afgestemd op de verdere ontwikkeling van Schiphol.


In 2006 start het gebiedsgerichte economische programma voor het noorden van de Randstad in het kader van Pieken in de Delta. Voor het uitvoeringsprogramma van de Noordvleugel in dit kader is in de periode 2006–2010 € 42 miljoen beschikbaar, gericht ophet ontwikelen van kansen en het uitbouwen van sterktes die de internationale concurrentiepositie kunnen versterken.


Daarnaast werkt het kabinet, in aansluiting op de Nota Ruimte, aan een integrale langetermijnvisie op nationale stedelijke netwerken – de Randstad in het bijzonder – tegen de achtergrond van een internationaal concurrerend vestigingsklimaat (uitvoering motie Lemstra). Zoals expliciet in de motie wordt aangegeven speelt de ontwikkeling van Schiphol daarbij een belangrijke rol.

Integraal en regionaal

Op een aantal punten draagt het kabinetsstandpunt bij aan de oplossing van de problemen, zoals de commissie De Grave die heeft gesignaleerd.


Het kabinetsstandpunt leidt tot een scherpere rolverdeling tussen betrokken actoren, alsmede tot een betere bestuurlijke inpassing van de luchthaven in de omgeving. In het kabinetsstandpunt krijgen de rollen en verantwoordelijkheden van actoren expliciet de aandacht.

Daarnaast biedt het kabinetsstandpunt inhoudelijke (èn integrale) duidelijkheid over de ontwikkelingsruimte van Schiphol, gekoppeld aan duidelijke en robuuste beperkingen hiervan waar dit nodig is. Door de ontwikkelingsruimte voor een langere periode te benoemen, wordt continuïteit èn planologische rust gecreëerd, hetgeen direct zal leiden tot minder behoefte aan overleg en afstemming. Hierdoor wordt de bestuurlijke drukte rond Schiphol verminderd.

De ruimtelijke beperkingen voor Schiphol zullen, in het kader van de overzichtelijkheid voor omliggende besturen, worden verenigd in één besluit. Zo wordt het verbod op grootschalige nieuwbouw van woningen uit de Nota Ruimte ook ondergebracht in het Luchthavenindelingbesluit.

Het kabinet wil de invloed en keuzevrijheid voor omwonenden en bestuurders in de omgeving van Schiphol vergroten. Het kabinet kiest hierbij niet voor oprichting van een nieuw instituut, maar voor een oplossing binnen de bestaande organisaties, zoals de Commissie Regionaal Overleg Luchthaven Schiphol (CROS).

Die behoefte aan een nieuw instituut is er evenmin in meer bestuurlijk opzicht. Reeds eerder is aangegeven (in reactie op de suggestie van een Luchtvaartautoriteit in het rapport van de Raad voor Verkeer en Waterstaat, Van de lucht blijven leven) dat er geen behoefte is aan het in het leven roepen van een nieuwe bestuurslaag.


Een scherpe rolverdeling impliceert eveneens dat het kabinet respecteert dat er op regionaal niveau veel overlappende overleggremia bestaan. Het is aan de bestuurders in de regio zelf om de bestuurlijke drukte die in de regio op deze wijze mogelijk wordt gecreëerd, te verminderen wanneer dit leidt tot ineffectief optreden. De verantwoordelijkheid van het Rijk is om een helder sturingskader neer te zetten. Het kabinet heeft dit met het kabinetsstandpunt Schiphol beoogd een daarmee voldaan aan een noodzakelijke voorwaarde om te komen tot vermindering van de bestuurlijke drukte.

Tot slot

Het kabinet ziet het als een belangrijk aandachtspunt ook naar de toekomst toe de bestuurlijke drukte rond het Schipholgebied te voorkomen. Zo moet bijvoorbeeld worden voorkomen dat het programma rond het noorden van de Randstad tot nieuwe bestuurlijke drukte leidt. Hierop zal het kabinet alert zijn.

Voortijdig schoolverlaten

De tweede casus is het voortijdig schoolverlaten. De Commissie constateert rond deze casus dat er veel mis gaat. Zij constateert 8 bestuurlijke knelpunten. In grote lijnen komen deze knelpunten erop neer dat:

– de nadruk nu teveel ligt op curatief beleid in plaats van preventie,

– ouders en kinderen worden te weinig aangesproken op hun gedrag,

– de overdracht van VMBO naar ROC vaak niet goed gaat,

– de afstemming met de jeugdzorg vaak niet goed is, bijvoorbeeld door verschillende leeftijdsgrenzen (18 of 23 jaar) en uiteenlopende regionale indelingen (provincies gaan over de jeugdzorg en gemeenten over ROC’s);

– regelgeving van OCW in sommige gevallen vsv bevordert, bijvoorbeeld door de manier waarop scholen worden gefinancierd (leerlingen aannemen na peildatum loont niet altijd);

– een niet optimale samenwerking op lokaal niveau, doordat voortijdig schoolverlaten geen hoofdtaak is van betrokken instellingen en deze bovendien nog oplossingen moeten verzinnen voor nieuwe voorzieningen en regelingen van rijkszijde, waar veel energie in gaat zitten;

– een versnipperde aansturing vanuit het Rijk doordat meerdere departementen vanuit verschillende rollen betrokken zijn bij vsv (Operatie Jong, taskforce jeugdwerkloosheid, RMC-regelgeving, jeugdzorg);

– er is nog te weinig sprake van ontschotting binnen het Rijk, hoewel er met operatie Jong en de taskforce jeugdwerkloosheid wel een goed voorschot op ontschotting wordt genomen.


Inmiddels heeft u van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de perspectievennota ontvangen. Deze nota bevat de aanpak om het voortijdig schoolverlaten de komende jaren tegen te gaan. In deze nota wordt uitgebreid ingegaan op een mix aan maatregelen. Enkele daarvan, die direct ingaan op de knelpunten zoals de Commissie De Grave die heeft gesignaleerd, noem ik hier kort. Voor een uitgebreide beschrijving verwijs ik graag naar de perspectievennota zelf.


In de perspectievennota wordt aangegeven dat meer aandacht moet uitgaan naar preventief beleid, dat ouders en jongeren zelf een grotere verantwoordelijkheid moeten nemen en hierop ook aangesproken kunnen worden, dat de overdracht van het VMBO naar het vervolgtraject beter moet, door onder andere een zorgplicht voor VMBO’s gedurende de zomermaanden na het eindexamen, de oprichting van jongerenloketten om de samenwerking tussen de verschillende betrokken instanties beter vorm te geven, een flexibele instroom in het onderwijs mogelijk te maken en maatwerk mogelijk maken, omdat elke regio en elk kind anders is.

Hiermee wordt op een bevredigende wijze op de punten van de Commissie De Grave ingegaan, met uitzondering van de versnipperde aansturing en de ontschotting binnen het Rijk. Deze aansturing is nadrukkelijk onderwerp van het sturingsadvies van Operatie JONG. Het kabinet komt nog met een reactie op dit sturingsadvies, waarin ook de vermindering van bestuurlijke drukte betrokken zal worden. De ontschotting binnen OCW is alvast aangepakt door de aanpak van het voortijdig schoolverlaten onder te brengen bij de «gekantelde» projectdirectie Voortijdig Schoolverlaten.

Daarnaast is voor het opstellen van de perspectievennota gebruik gemaakt van de diensten van de Kafkabrigade van het Centre for Government Studies en Nederland Kennisland. Zij hebben aan de hand van concrete casussen (drie Amsterdamse voortijdige schoolverlaters) de bestuurlijke drukte inzichtelijk gemaakt. Het kabinet ziet dit als een eerste, belangrijke stap naar verdere ontschotting en concentratie, danwel regie van de inspanningen om het voortijdig schoolverlaten tegen te gaan.

Casus Illegale arbeid

Rond de casus illegale arbeid signaleert de Commissie de volgende bestuurlijke knelpunten:

– de beleidsmatige aansturing door SZW;

– de benodigde bevoegdheden om effectief te kunnen handhaven;

– de betrokkenheid van de vreemdelingenpolitie;

– het bestaan van verschillende loketten.

Zowel op het terrein van de bestrijding van illegale tewerkstelling, als op aanpalende terreinen zijn de afgelopen jaren aanzienlijke wijzigingen doorgevoerd2. Bestrijding van illegale tewerkstelling is tevens een onderdeel van het Handhavingsprogramma 2007–2010. De hier genoemde maatregelen zullen in dat programma terug komen.

Sterkere centrale aansturing van de handhaving van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav)

De beleidsmatige aansturing van het handhavingsbeleid ten aanzien van de bestrijding van illegale tewerkstelling vanuit het ministerie van SZW is versterkt, mede door de beleidsverantwoordelijkheid te verleggen naar de beleidsdirectie. Er wordt een kader opgesteld voor het handhavingsbeleid ten aanzien van illegale tewerkstelling.


De verantwoordelijkheden van de betrokken directies worden hierin nader vastgelegd en er worden heldere afspraken gemaakt over de informatievoorziening die nodig is voor een prioritering van de inzet en een effectieve beoordeling van de prestaties van de Arbeidsinspectie (AI) op dit thema. Dit kader wordt in de eerste helft van 2006 afgerond. Ter ondersteuning van de beleidsmatige aansturing is in 2005 onderzoek gedaan naar de mate van illegale tewerkstelling door werkgevers. In 2006 wordt dit onderzoek herhaald. Daarnaast wordt onderzoek verricht naar de bekendheid van werkgevers en intermediairs met de arbeidsmigratieregelgeving.

Bevoegdheden en inzet vreemdelingenpolitie

In een landelijke dienstverleningsovereenkomst is vastgelegd dat de keuze van een object bij een gezamenlijke controle van AI en Vreemdelingenpolitie (VP) zodanig zal zijn, dat deze past in de prioriteiten van de AI en de kans op het aantreffen van niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen zo groot mogelijk is. Bij de bestrijding van illegale tewerkstelling stuit de AI, bij afwezigheid van de Vreemdelingenpolitie, op het probleem dat niet altijd de identiteit van de werkend aangetroffen personen kan worden geverifieerd. Indien de (werkelijke) identiteit van de betrokken persoon niet kan worden vastgesteld, kan geen bestuurlijke boete worden opgelegd. Daarom is het voornemen de Wet arbeid vreemdelingen zodanig te wijzigen dat de werkgever die niet meewerkt bij het vaststellen van de identiteit van een persoon die werkend in zijn bedrijf wordt aangetroffen een bestuurlijke boete kan worden opgelegd (ter hoogte van de boete die geldt voor overtreding van de Wav). Het streven is dit wetsvoorstel in de eerste helft van 2006 naar de Tweede Kamer te sturen.

Eén loket voor arbeidsmigranten.

Het kabinet zal vóór 1 juli 2006 verkennen in welke vorm het invoeren van «één gedigitaliseerd loket» van CWI en IND voor arbeidsmigranten op korte termijn voor werkgevers praktische toegevoegde waarde heeft. Hierover zal de Kamer najaar 2006 geïnformeerd worden.

Casus Besluit Risico’s Zware Ongevallen (BRZO)

De Commissie de Grave heeft ook gekeken naar het BRZO, het Besluit Risico’s Zware Ongevallen. Uit de analyse van de Commissie komen de volgende aandachtspunten naar voren:

– Het ontknopen van doelstellingen: het uit elkaar trekken van doelstellingen rond risicobeheersing en de gevolgen van de risico’s voor de omgeving;

– verleggen van verantwoordelijkheden van publiek naar privaat;

– versterken uniform optreden door indirecte sturing vanuit het rijk: het inrichten van een landelijk expertise centrum en het verplicht maken van dat gemeentes en provincies gebruik maken van dit centrum;

– versterken regie door stellen van kwaliteitseisen aan de betrokken overheidsdiensten;

– meer regie door versterken rol coördinerend gezag;

– organisatie vereenvoudigen door verleggen bevoegdheden danwel centralisatie: het bundelen van verantwoordelijkheden en bevoegdheden bij een van de huidige inspecties of inspecties samen te voegen.


Rond het BRZO zijn naast het rapport van Commissie De Grave nog een aantal andere rapporten verschenen (Hendrikx, Alders). Daarnaast loopt het traject BeteRZO. Om wijziging op wijziging te voorkomen is gekozen voor een bundeling van de verschillende adviezen tot één traject dat leidt tot de gewenste aanpassingen. In het licht van de vermindering van bestuurlijke drukte, lijkt dit me een goed initiatief. In dat traject is een aantal maatregelen genomen dat tegemoet komt aan de aandachtspunten van de Commissie de Grave. De nummers 1, 3, 4 en 5 zijn overgenomen en voor aanbeveling 6 is een apart traject gestart.

Op deze manier wordt de dubbele rol van de gemeente opgeknipt. Dit betekent concreet dat een gemeente het veiligheidsrapport moet aanvaarden, oftewel moet bepalen of het rapport volledig en juist is. Of de geconstateerde risico’s passen binnen het ruimtelijk economisch beleid van een gemeente komt in een later stadium apart aan de orde tijdens de vergunningverlening. De wijziging in regelgeving die hiervoor nodig is, is bijna rond. Ook komt er een regiegroep die gaat toezien op de samenwerking en uniformiteit van het overheidsbeleid richting bedrijven daar waar het het BRZO aangaat. Bovendien wordt de rol van het bevoegd coördinerend gezag versterkt door een wijziging van het Besluit BRZO ’99, waardoor deze actief moet toezien op de uniformiteit, tijdigheid, eenduidigheid en samenhang van overheidsoptreden. Tot slot worden bij de laatste aanbeveling van de Commissie passende varianten in de ambtelijke organisatie van alle bij de uitvoering betrokken diensten, zowel bij het rijk als bij de gemeenten en provincies, onderzocht.

5. Voortzetting identificatie, analyse en aanpak van bestuurlijke drukte

Met de casus die uit de Quick Scan naar voren zijn gekomen, is vanzelfsprekend niet de bestuurlijke drukte in ons land in al z’n omvang en verscheidenheid naar voren gekomen. Van een Quick Scan mag dat ook niet worden verwacht. Het is bovendien geen realistische gedachte dat in het kader van de uitvoering van het Kabinetsstandpunt op het rapport van Commissie De Grave bestuurlijke drukte in alle sectoren zou kunnen worden verminderd.


Tegelijkertijd gaat de ambitie van het Kabinet verder dan alleen het voorkomen van bestuurlijke drukte bij nieuwe beleidsvoorstellen door middel van invoering van de IOS-toets (§ 2) en het verminderen van bestuurlijke drukte binnen de vier casus die de Commissie De Grave zelf al had onderzocht (§ 4) en de casus die bij de Quick Scan naar voren zijn gekomen (§ 3). Wat mij voorts nog voor ogen staat, wordt in deze paragraaf beschreven.


Een belangrijk uitgangspunt voor het vervolg is dat ik wil vasthouden aan de casusgerichte aanpak, omdat deze aanpak de mogelijkheid biedt om concrete problemen aan te pakken. Een ander uitgangspunt in het vervolg is, dat het Kabinet de uitvoering van het Kabinetsstandpunt «We gaan ervoor» ziet als een rijksbreed leerproces met als centrale vraag op welke manier bestuurlijke kracht binnen tal van sectoren en hun bestuurlijke constellaties kan worden gecreëerd of kan worden herwonnen. Door de uitvoering van het Kabinetsstandpunt verder te definiëren als een leerproces, is wat het Kabinet betreft een aantal aanvullende acties aan de orde die voortborduren op de lijn die met het Kabinetsstandpunt is ingezet. Deze acties worden hieronder kort uitgewerkt.


Ten tweede wil ik het tweede rondetafelgesprek noemen dat dit najaar zal plaatsvinden. Tijdens dit gesprek wil ik met de verschillende departementen stilstaan bij de opgedane ervaringen bij het verminderen van bestuurlijke drukte in de door hen aangedragen casus, zodat hieruit de relevante leerervaringen kunnen worden gedestilleerd. Hierbij gaat het zowel om de vraag welke factoren bevorderend werken bij het verminderen van bestuurlijke drukte, als om barrières die hierbij belemmerend werken. Daarnaast zal in dit gesprek de vraag centraal staan op welke manier vanuit mijn departement het vervolgproces zo kan worden ingericht, dat het daadwerkelijk de uitwerking heeft van een rijksbreed leerproces.


Ten derde willen we de identificatie van casus van bestuurlijke drukte niet beperken tot de reeds uitgevoerde quick scan bij vakdepartementen. In aanvulling hierop wil ik ook bij bestuurders van gemeenten en provincies inventariseren op welke terreinen zij in het dagelijks werk het meeste hinder ondervinden van bestuurlijke drukte. Samen met hen en de departementen op wiens terrein de op deze manier geïdentificeerde casus zich afspelen, wil ik in vervolg hierop komen tot praktische voorstellen voor de manier waarop in de verschillende situaties de bestuurlijke kracht kan worden vergroot.


Tot slot zal gaande het proces een document worden opgesteld waarin de opgedane leerervaringen worden vastgelegd. Dit document zal kunnen dienen als een aanvullende handleiding voor departementen bij het toepassen van de IOS-toets bij het ontwikkelen van nieuwe beleidsvoorstellen. Ook zal het helpen bij het beoordelen van deze voorstellen door BZK in de fase dat ze in de Mininsterraad worden besproken.

6. Voortgang rond wijziging omvang en zittingsduur vertegenwoordigende organen

De Commissie beveelt ook aan de omvang en zittingsduur van vertegenwoordigende organen te bekijken. Wat betreft de omvang van de gemeenteraden heb ik u op 1 februari jl. tijdens een Algemeen Overleg toegezegd dat ik de zogenoemde dualiseringscorrectie zal doorvoeren.

Mijn eerste ambitie is het aantal raadsleden terug te brengen met ongeveer het aantal lokale politici die er door de dualisering is bijgekomen. In het licht van het rapport van de Commissie De Grave was een verdere daling ook mogelijk, maar de afgelopen jaren is het aantal raadsleden ten gevolge van herindelingen al teruggelopen van ruim 11 000 tot ongeveer 9 700. Daar zullen met de dualiseringscorrectie nog eens een kleine 1 100 van afgaan. Hiermee is in mijn ogen op dit moment voldoende voldaan aan de aanbeveling van de Commissie De Grave. Voor de uitvoering van de dualiseringscorrectie werk ik momenteel een wetsvoorstel uit. Mijn streven is dat u dit voorstel nog voor het einde van dit jaar ontvangt.


De omvang van de Provinciale Staten laat ik overigens verder buiten beschouwing. Dit omdat de omvang van dit orgaan recent al is aangepast. Een tweede wijziging in korte tijd vind ik niet nodig.

Daarnaast heb ik u een brief toegezegd over de grondrechtelijke mogelijkheden om een experiment te houden met de zittingsduur van vertegenwoordigende organen. Met deze brief ben ik momenteel bezig. Mijn streven is u deze brief nog voor de zomer te zenden.

Dan blijft nog over de omvang van de Eerste en Tweede Kamer. Hierover heb ik u tijdens het eerder aangehaalde Algemeen Overleg gemeld dat ik het niet primair op mijn weg vind liggen in mijn hoedanigheid als minister daar iets aan te doen. Daar heb ik echter nadrukkelijk aan toegevoegd dat het u natuurlijk vrij staat zelf initiatieven te nemen in deze richting.

7. Invoering kennisgerichte shared services

De Commissie De Grave beveelt het gebruik van shared service centres aan voor die gevallen waarin gemeenten technisch gespecialiseerde kennis nodig hebben om een specifieke taak uit te voeren. Een landelijk kenniscentrum kan hierin in zulke gevallen voorzien. Over de vraag in hoeverre hieraan bij de medeoverheden behoefte bestaat, heb ik contact gehad met VNG en IPO. Uit dit contact bleek dat wat hen betreft geen reden bestaat dat de rijksoverheid op dit punt extra inzet pleegt, omdat er op dit terrein al veel gebeurt. Hiermee wordt overigens de waarde van het instrument direct onderkend.

Als bestaande voorbeelden kan ik wijzen op het Kenniscentrum Grote Steden en op het Kenniscentrum Europa decentraal, maar ook op het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid dat is opgericht door de minister van Justitie, de VNG en mijzelf is hier een goed voorbeeld van. Elk van deze centra zijn goed functionerende voorbeelden die door het Rijk en de mede-overheden gezamenlijk in het leven zijn geroepen.


Tot slot wijs ik in dit kader op de adviezen van de werkgroep Alders die heeft geadviseerd over interbestuurlijk toezicht. Zonder hier al teveel op de kabinetsreactie hierop vooruit te willen lopen, kan ik u al wel melden dat de ontwikkeling van een shared service center in het kader van interbestuurlijk toezicht rond een aantal thema’s hierin wordt overwogen.


Al met al is de constatering dat er al veel bestaat en ook in ontwikkeling is als het gaat om kennisgerichte shared services van de verschillende bestuurslagen gezamenlijk. Op dit moment hoeft dan ook geen extra inspanning geleverd te worden om het ontstaan van interbestuurlijke kenniscentra verder te stimuleren. De praktijk wijst immers uit dat daar waar er behoefte is aan een dergelijk kenniscentrum, men elkaar al weet te vinden. Een extra inspanning zou waarschijnlijk eerder neerkomen op het creëren van bestuurlijke drukte, in plaats van het oplossen daarvan.


De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
J. W. Remkes

1  Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II, 2005/06, 30 300 A, nr. 2, p. 13–14.

2  Voor overzicht zie de brief over het Werknemersverkeer nieuwe EU-lidstaten van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van d.d. 31 maart.